Antonius a Lapide (1035-1122), van scriba tot dictator

"In Bologna heeft men de grondslagen te zoeken voor de hedendaagse rechtswetenschap," schreef Hermesdorf in zijn "Schets der uitwendige geschiedenis van het Romeinse recht" (pg. 294) en hij formuleert daarmee een van de sterkste onder rechtshistorici gangbare dogmata. Het is waarschijnlijk ook wel juist. De vraag is alleen wat ermee gezegd wordt. Heeft men in Bologna de grondslagen te zoeken van de hedendaagse rechtswétenschap of van onze rechtsbeoefening? Het is zeker zo dat daar destijds de studie van het geleerde recht (of de geleerde studie van het recht) begonnen is, maar rechtsbedeling bestond natuurlijk ook zonder geleerdheid en het duurde zelfs nog een hele tijd voor deze rechtspraktijk zich ging bedienen van de in de rechtswetenschap ontwikkelde inzichten. Men moet aannemen dat deze inzichten van lieverlee daarin werden opgenomen. Deze rechtspraktijk is dan ook rechtshistorisch het uitgangspunt. Zij bestond al vóór Bologna, nam enige eeuwen de tijd om het geleerde recht - mondjesmaat - tot zich te laten doordringen en behield ook na de volledige receptie belangrijke trekken van vroeger. Het geleerde recht werd er "slechts" in ingebouwd.
Aldus is mijn overtuiging en ik meen er niet beter aan te doen haar te staven dan door een man aan de vergetelheid te ontrukken die nu juist zijn sporen verdiend heeft in de rechtspraktijk van de 11e eeuw, die dus ook een tijdgenoot en ooggetuige was van de opkomst van het geleerde recht. Die man was Antonius a Lapide, een "monachus minor", zoals hij zichzelf met de hem kenmerkende bescheidenheid noemt. Hij was ouder dan Irnerius. Hij is geen glossator, ook niet geworden. Hij was het zelfs helemaal niet eens met de opkomst van de geleerde studie van het recht en had heel andere ideeën over het Romeinse recht. Men kan hem geen jurist of legist noemen, hoewel hij belangrijk juridisch werk heeft gedaan.

Leven
Antonius a Lapide was een middeleeuwse intellectueel. Natuurlijk is dat niet een karakteristiek die in zijn tijd gegeven zou kunnen zijn, maar een moderne, 20e eeuwse. Bij zijn leven stond hij bekend als monnik.
Antonius is een van de weinige middeleeuwers die ons een autobiografie hebben nagelaten. Hij is daardoor ook een van de weinigen die wij goed kennen. Deze autobiografie is zijn "Epistola de scriptis" (1115). Zij staat tussen de twee andere ons bekende autobiografieën van die tijd, het "Liber de tentationibus et scriptis" van Otloh van St. Emmeram (1013-1072) en de "Vita sua" van Guibert van Nogent (1064-1125). Antonius begon eraan in 1110 en voltooide het geschrift twee jaar voor zijn dood.
Verder schreef hij een "Vita Hildebrandi", een "Tractatus de inventione" en een "Opusculum de iure romano". Deze zijn ons echter alleen bekend uit zijn "Epistola". Het "Opusculum" heeft de stoot gegeven tot de bestudering van de genoemde "digesten", o.a. door Irnerius, en de grondslag gelegd voor de school der glossatoren in Bologna. Zelf had hij een andere opvatting van het nut van de digesten dan Irnerius en in zijn "Epistola" brengt hij er zijn teleurstelling over tot uitdrukking dat de glossatoren een wending aan de studie van het vierde boek van het "Corpus iuris" gaven, die voor zijn gevoel te weinig te maken had met de praktijk. Waarschijnlijk was deze teleurstelling juist de aanleiding tot het schrijven ervan. Zijn roem heeft hij te danken aan zijn reis naar het klooster van Monte Cassino waar hij in 1070 aankwam en het "Liber Secundus" (ook Vulgata of Littera bononiensis genaamd), dat de voor de moderne rechtsgeleerdheid fundamentele "digesten" bevat, redigeerde.
Zag hij in zijn bijdrage aan de rechtsgeleerdheid zijn belangrijkste levensdaad, - die hij overigens niet hoger aansloeg dan het werk van een kopiïst, - zijn andere werken, betrekking hebbende op de kerkelijke hervormingsbeweging van zijn tijd en op de retorica, zijn, voor zover wij kunnen overzien, minstens even belangrijk en origineel. Uiteraard was het hem niet mogelijk zichzelf te zien als iemand die een substantiële bijdrage leverde aan het genre van de autobiografie, daar dit in zijn tijd nog niet bestond. De rechtvaardiging van het schrijven van zijn "Epistola" leverde hem dan ook grote problemen op.

Antonius werd geboren in een plaatsje vlak bij Maastricht, in het hart van het oude Lotharingen, in het dorp Stein waaraan hij zijn naam ontleende. Hij overleed in de abdij van Stavelot, enige tientallen kilometers zuidelijker. Zoals hijzelf in zijn "Epistola" verhaalt werd hij "ontdekt" door de dorpspastoor die hem op drie-jarige leeftijd aantrof, toen hij in een boom zat hymnes te zingen ("in arborem sedens hymnos cantavi"). Hij leek een goed geheugen voor melodieën te hebben en zong blijkbaar iets dat leek op het "Veni creator spiritus" van Hrabanus Maurus.
Deze pastoor was een voor die tijd en omgeving abnormaal geleerd man. Hij woonde in het dorp van Antonius waar hij hoofdzakelijk leefde van wat zijn akkertje opbracht en enkele beesten. Hij was vroeger monnik geweest en had in het klooster perkament leren maken. Dat vak beoefende hij nog steeds en een keer per jaar trok hij naar Maastricht om er aan te bieden wat hij het afgelopen jaar had geproduceerd. Meestal maakte hij van de gelegenheid gebruik om in de bibliotheek van het kapittel voor zichzelf enkele teksten te kopiëren. Hij bond die dan samen met de vellen die hij al had en langzamerhand waren twee boeken ontstaan die hij zorgvuldig bewaarde. Zij bevatten vooral hymnen en enkele theologische traktaten. Hij had dus kennelijk ook leren kopiëren. Hoeveel hij van latijn wist, is niet duidelijk. In ieder geval begreep hij er wel iets van, zoals blijkt uit het feit dat hij Antonius later er wat van bijbracht.
Toen hij Antonius hoorde, spoedde hij zich naar de moeder en overtuigde haar ervan dat de jongen - die van zichzelf Wipo heette, maar de doopnaam Antonius had ontvangen - onder zijn bijzondere leiding moest worden geplaatst. De vader, een Maasschipper, was meestal lange perioden van huis en bemoeide zich niet met zijn kinderen totdat zij op zijn schip mee konden helpen. De pastoor en de vrome moeder voedden vervolgens Antonius samen op, wat erop uitliep dat Antonius weldra een groot aantal hymnen kon opzeggen en zingen. Van de inhoud van de teksten begreep hij niets. Hij betichtte er zich later vol spijt van dat hij hierdoor zeer ijdel werd, ja, zelfs dat hij, evenals de pastoor, geloofde in een bijzondere roeping. Vol schaamte bekent hij in de "Epistola" dat hij toe had gegeven aan de zwaarste verzoeking, zich Jezus zelf te voelen.
Dat was naar aanleiding van een gebeurtenis die zijn vader hem later regelmatig in herinnering bracht, zij het om hem belachelijk te maken. Toen de vader eens terugkeerde van een reis, vond hij Antonius, die toen een jaar of vijf was, temidden van een aantal volwassen ooms en buren, orakelend in het latijn, alsof hij de wijsheid in pacht had. De pastoor stond er ook bij en de Maasschipper hoorde hem nog net zeggen dat door de mond van kinderen de waarheid wordt onthuld of iets dergelijks. Dat was, na het relaas van zijn "ontdekking", de tweede gebeurtenis uit zijn jeugd die Antonius vertelt. Hij had zich een ogenblik gevoeld als Jezus temidden der schriftgeleerden.
De derde gebeurtenis was van een heel andere orde. Aan de mooie opvoeding die Antonius van de pastoor kreeg, kwam een einde doordat de vader hem op zijn achtste meenam op het schip om hem te werk te stellen. Daarmee verliet Antonius ook voor lange tijdvakken het dorp. Hij wist toen nog niet hoe gehecht hij daaraan was.

Het dorp lag op een hoge heuvelrand die terplaatse enkele bochten maakte, zodat ook de Maas die vlak onder de helling stroomde, soms vreemde wegen ging. Vanaf de heuvelrand liepen een viertal paden door de woud naar beneden en aan een daarvan, het meest zuidelijke, stond de hut van zijn ouders. Vlakbij was een aanlegplaats, maar het land was daar zo vlak dat de rivier van tijd tot tijd haar loop verlegde en dan moest de vader van Antonius soms een heel eind lopen om bij zijn schip te komen. Antonius woonde op een afstand van het eigenlijke dorp dat bovenop de heuvelrand lag. Hij groeide vrij eenzaam op en het kon hem eigenlijk niet zoveel schelen dat hij met zijn vader mee moest. Hij vond alleen het verlaten van zijn moeder heel erg. Als jongste en vanwege zijn "roeping" was hij tamelijk verwend en gevoelig geworden.
De reis had echter belangrijke gevolgen voor zijn ontwikkeling. Zij ging stroomopwaarts en het schip deed allerlei plaatsen aan tot in Frankrijk toe. Hoewel Antonius als scheepsmaatje niet veel waard was, schoof zijn vader hem vaak naar voren om hem latijn te laten spreken. Zo trok hij de aandacht van een priester die vanaf Maastricht de reis meemaakte. Om de tijd te doden leerde deze man de kleine jongen de betekenis van enige van de teksten die hij kon opzeggen en Antonius begon iets te begrijpen van het latijn. Teruggekeerd in Stein en weer onder de hoede van zijn moeder en de pastoor, ontving hij meer onderwijs in de betekenis van de woorden en deed hij enige grammaticale kennis op. Erg veel kan het niet zijn geweest want hij moest toch regelmatig met zijn vader mee, de Maas op of af.
Zijn definitieve vorming ontving hij aan de domkapittelschool van St. Servatius in Maastricht, onder de hoede van de kanunnik-cartularius Remigius van Meersen. Zij ontmoetten elkaar voor het eerst in 1049 en Remigius zag onmiddellijk dat hij te maken had met een intelligente en ontvankelijke jongen. Hij verdiende, vond de domheer, een beter lot dan dat van scheepsjongen op het schip van zijn vader. Die was blij dat hij zijn zoon, de jongste van vier zonen, bij de domheer kon onderbrengen, want hij vond hem een dromer. Hij miste weliswaar niet de lichaamskracht van zijn oudere broers, maar had, zoals hij het uitdrukte, zijn hoofd laten volhangen met ideeën die niet bij "ons soort mensen" passen, al waren zij dan ook afkomstig van de dorpspastoor.
Remigius kende die pastoor wel. Hij vond hem een tamelijk geletterd man die redelijk in zijn latijn zat, best leraar aan de domschool had kunnen zijn, maar de voorkeur gaf aan de zielzorg. Hij sprak hem aan over Antonius en zijn vermoedens werden bevestigd. Voorlopig zou hij kopiëren want de pastoor had hem leren lezen en schrijven in het latijn en hij had een mooi handschrift.
In het begin was het overigens helemaal niet gemakkelijk om te bepalen waarvoor hij de meeste aanleg had. Wat de pastoor hem had geleerd was niet meer dan wat van buiten geleerd kerklatijn. Hij beheerste enkele liturgische teksten en een paar heiligenlevens, maar wist nog maar weinig van de grammatica, laat staan van de retorica en de dialectiek. De eerste taak van de domheer was dan ook Antonius in te leiden in de "Ars minor" van Aelius Donatus. Antonius zelf had liever boekverluchter geworden, maar de kennismaking met de profane latijnse literatuur vervulde hem zo met enthousiasme dat hij zijn nog weinig ontwikkelde ideaal snel vergat. Remigius gaf hem Vergilius te lezen lang voordat zij toe waren aan de "Partitiones duodecim versuum Aeneidos principalium" van Priscianus. Het grammatica-onderricht begon met Donatus en met de "Institutio grammatica" van Priscianus. Daarna gingen zij over tot de bestudering van de "Ars maior" van Donatus, in het bijzonder het derde boek, de zg. "Barbarismus". Pas toen vond Remigius hem rijp voor de retorica en begonnen zij de studie van de "Retorica ad Herennium", terwijl zij zich tegelijkertijd aan de toenmaals bekende fragmenten van de "Institutio oratoria" van Quintilianus overgaven.
Antonius was een snelle leerling. Rond zijn twintigste was hij een volleerd kopiïst en latinist en schreef hij zelfstandig gedichten en prozateksten. Als assistent-cartularius had hij heel wat juridische oorkonden onder ogen gehad en hij kende het oorkondenboek van Marculf. Zijn eerste zelfstandige werkstuk was een brief die hij voor zijn vader opstelde. De brief was gericht aan het stadsbestuur van Maastricht en Antonius moest een bijna geheel nieuw formulier ontwikkelen daar het oorkondenboek van Marculf niet leverde wat hij zocht. Hij deed dat, zoals hij later in de "Epistola" zelf vertelde, op een argeloze en onbevangen manier ("candide incorrupteque"), zich nog niet realiserende dat hij hiermee voor zichzelf een carrière als schrijver opende. Zijn leermeester was heel tevreden over het werkstuk en droeg Antonius vervolgens vaker op brieven te redigeren, terwijl hij hem bovendien hielp aan klandizie uit de Maastrichtse burgerij, zodat hij zelf enigermate in zijn levensonderhoud kon voorzien. Hij werd vooral goed in het schrijven van brieven met een juridische inhoud.
Remigius liet hem vrij vroeg kennismaken met de school van het nabijgelegen Luik, in het bijzonder met de vijf jaar oudere Sigebert van Gembloers (± 1030-1112), onder wiens leiding Antonius verder studeerde. Van Sigebert kreeg hij waarschijnlijk het gevoel dat er in Europa iets geheel nieuws gaande was, het gevoel dat ook Guibert van Nogent en Chrétien de Troyes hadden. Hij deelde later niet het imperialistische standpunt dat Sigebert in zijn "Tractatus de investitura episcopalis" innam in de pamflettenstrijd rond de investituur, maar stelde zich op aan de kant van de papalisten.
Na zijn 25e, in 1060, werd hij naar de abdij van Stavelot gestuurd. Men zat daar met een kist boeken die al in de 10e eeuw door een ongelukkig toeval in het bezit van de abdij was gekomen. Een van de handschriften had men kunnen begrijpen als een juridische tekst van grote omvang, waarvan men veronderstelde dat hij eigendom was van de abdij van Monte Cassino. Hij was in het latijn geschreven. De kist had een eeuw lang in het klooster gestaan zonder dat er iets mee gebeurd was. Antonius slaagde erin te achterhalen dat in 975 een monnik, Pepo genaamd, doodziek in Stavelot was aangekomen en vlak na zijn aankomst overleden was. Men had begrepen dat hij uit Monte Cassino afkomstig was. Tot zijn summiere bagage behoorde de genoemde kist. Toen zij na het overlijden van Pepo werd geopend bleek zij hoofdzakelijk handschriften met Griekse teksten te bevatten die men niet kon lezen. Van tijd tot tijd waagde iemand zich aan ontcijfering, maar men was niet ver gekomen. Antonius veronderstelde dat de kist had behoord tot de bagage van prinses Theophanu, de nicht van de Byzantijnse keizer en vrouw van keizer Otto II, met wie zij in 972 in Rome was getrouwd. De monnik was haar met de kist achterna gereisd, maar had zijn einddoel niet bereikt. Men was in Stavelot vooral onder de indruk van één heel omvangrijke tekst die men tenslotte wel graag ontcijferd wilde zien. Men vermoedde er een belangrijke tekst van Justinianus in te hebben, wilde het handschrift wel terugbezorgen in Monte Cassino, maar niet dan nadat er een kopie van was gemaakt. Men deze taak wilde men Antonius belasten, aanbevolen door Remigius van Meersen. Zoals uit zijn "Epistola" blijkt, vond Antonius de kopiëring van deze tekst en de overbrenging van het origineel naar Monte Cassino, alsmede zijn pleidooi voor en hulp bij de verdere bestudering aldaar zijn belangrijkste levensdaad.
Zijn gedachten over het Romeinse recht had hij al in 1078 neergelegd in zijn "Opusculum de iure romano", zich vooral baserende op zijn ervaringen in Monte Cassino. Zijn belangrijkste werk daar was de redactie van wat later de "Codex S" of het "Liber Secundus" is genoemd, een geschrift dat helaas niet tot ons is gekomen. Onder degenen die zijn werk met grote aandacht hadden gevolgd en tot zijn leerlingen moest worden gerekend, was de later beroemde magister Irnerius, toen nog een eenvoudige grammaticus of retoricus. Hij nam de kopie van de door Antonius vervaardigde digesten-tekst mee naar Bologna waar hij een school vestigde welke later werd opgenomen in de universiteit van de stad. In het "Opusculum" had Antonius gedachten neergelegd over de studie van de digesten welke echter Irnerius er niet van konden weerhouden om zijn eigen, in hoofdzaak imperialistische interpretatie te ontwikkelen die de hele school der glossatoren is gaan beheersen en de opvolgende rechtsgeleerdheid tot op de dag van vandaag.
In 1084 liet Antonius de "Tractatus de inventione" volgen, voortbouwende op iets anders dat hij in Monte Cassino had ervaren. Hij had daar namelijk kennisgemaakt met de monnik Alberico die retorica en de "ars dictaminis" onderwees en met wie Antonius vanwege zijn eigen beroepsbeoefening van het schrijven van brieven al snel in levendige gedachtenwisseling was gekomen.
Aan de "Vita Hildebrandi" begon hij na de dood van Gregorius VII in 1085. Hij wilde niet deelnemen aan de pamflettenstrijd rond de Investituur, maar toch een bijdrage leveren. Voor zover uit de "Epistola", die op dit punt erg summier is, is op te maken legde hij aan het werk de pietas-gedachte uit de "Aeneis", toegepast op Gregorius VII, ten grondslag.
In 1085 keerde Antonius terug naar Stavelot. Hij leidde van toen af een teruggetrokken leven, voerde correspondentie en was bibliothecaris. Verder gaf hij onderwijs in de triviale vakken. In 1110 begon hij aan de "Epistola de scriptis", een brief gericht aan Sigebert. Het woord "scripta" vatte hij dubbel op, namelijk als zijn eigen geschriften en als werken van een "scriba" in het algemeen. In 1122 overleed hij, in Stavelot.

(Wordt vervolgd.)

Geen opmerkingen: