Koning Salomon smeekte de Eeuwige hem een intelligent hart ("coeur intelligent") te geven. Dat is lang geleden, maar na de vorige eeuw heeft dit gebed om een gevoelige scherpzinnigheid ("perspicacité affective") nog steeds zijn waarde. Met deze twee zinnen begint het nieuwste boek van de Franse filosoof Alain Finkielkraut, Un coeur intelligent, 2009. (Hij schijnt er zich niet van bewust te zijn dat hij van de ene op de andere zin het adjectief en het substantief omkeert. Wil hij een intelligent hart of een gevoelige scherpzinnigheid? Het antwoord op deze vraag is wel van belang, zoals zal blijken.)
God, echter, zwijgt, vervolgt het "Avant-propos" van Finkielkraut. Wij moeten het dus elders zoeken. Voor onze gevoelige intelligentie of intelligente gevoeligheid kunnen wij niet terecht bij Hem noch bij de geschiedenis (van de vorige eeuw), wij kunnen ons met enige kans op succes richten tot de literatuur. Haar bemiddeling is geen garantie, zonder haar zou de genade van een intelligent hart echter voor altijd onbereikbaar zijn. En wij zouden misschien de wetten van het leven kennen, maar niet zijn jurisprudentie, voegt hij er aan toe.
Het boek van Finkielkraut, de filosoof, bestaat vervolgens uit 9 studies aan de hand van 8 romans van 8 romanciers, namelijk Milan Kundera (La plaisanterie), Vassili Grossman (Alles stroomt), Albert Camus (Le premier homme), Philip Roth (The Human Stain), Joseph Conrad (Lord Jim), Fjodor Dostojewski (Aantekeningen uit het ondergrondse), Henry James (Washington Square), Karen Blixen (Het feest van Babette) en een autobiografie, de "Geschichte eines Deutschen" van Sebastian Haffner.
Een filosoof die 8 literaire werken bespreekt. Hij geeft in zijn eerste zin al aan waarom, maar daar staat een voor een filosoof niet vanzelfsprekende stelling. Zeker, er zijn filosofen die proberen de filosofie van de roman te definiëren, Vincent Descombes bij voorbeeld in zijn "Proust. Philosophie du roman" (1987), maar hij beperkt zich toch maar tot de filosofische roman bij uitstek, de "Recherche du temps perdu". En hij heeft niet de probleemstelling van Finkielkraut, de speurtoch naar het intelligente hart/de gevoelige intelligentie, de combinatie van gevoel en gedachte, de overwinning van de tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek.
Finkielkraut legt niet uit wat Salomon met dit hart wilde. Waarvoor had hij het nodig en waarvoor moeten wij het hebben? Een kleine indicatie voor wat hemzelf betreft staat in het "Avant-propos". Wat ik in mijn vertaling heb samengevat in de woorden "na de vorige eeuw", wordt door de auteur gespecificeerd. Het was namelijk de eeuw die "geruïneerd is door de gezamenlijke wandaden van de bureaucraten, d.w.z. van een zuiver functionele intelligentsia, en van de bezetenen, d.w.z. van een oppervlakkige, binaire, abstracte sentimentaliteit die soeverein onverschillig was voor de bijzonderheid en voor de kwestbaarheid van de individuele lotgevallen". In de plaats van die bureaucratische instelling en van die sentimentaliteit hebben wij behoefte aan een gevoelig verstand. En dat wordt aangetroffen in de literatuur.
Ook deze stelling is niet nieuw. Kundera schreef in "L'art du roman" al dat de roman van de laatste vier eeuwen een taak waarnam die eigenlijk die van de filosoof was. De filosofie kwam er pas op met Heidegger.
Dat deze bede nog steeds valabel is, heeft ook Hannah Arendt al geschreven, zegt Finkielkraut, en op haar manier heeft ook Martha Nussbaum dit desideratum tot uitdrukking gebracht. In "Poetic Justice. The Literary Imagination and Public Life" (1995) schreef zij, zich niet inspirerende op Salomon, maar op Adam Smith ("The Theory of Moral Sentiments"), een juiste formulering voor wat Smith noemde de "judicious spectator", de oordeelkundige toeschouwer. "Tot zijn belangrijkste morele bekwaamheden behoort het vermogen om zich levendig voor te stellen wat het is om elk van de personen te zijn van wie hij zich de situatie voorstelt", schrijft zij. En zij is eveneens van mening dat wij toe zijn aan een meer gevoelsmatig openbaar leven en besteedt haar hele boek aan de analyse van een aantal romans door de lezing waarvan dat geleerd kan worden. De bureaucraten en bezetenen van Finkielkraut zijn bij Nussbaum allen die deelnemen aan het openbare leven, maar in het bijzonder de rechters. Ligt de probleemstelling van Finkielkraut (en Kundera) op het gebied van filosofie en literatuur, die van Nussbaum beweegt zich op het terrein van recht/politiek en literatuur. Alle drie proberen zij een houding in het openbare leven te vinden en alle drie zoeken zij die in de roman. Ook Adam Smith hechtte een aanzienlijk belang aan literatuur als bron voor morele begeleiding.
Wat zeiden de mensen van "das philosophische Kwartet" gisterenavond hiervan?
maandag 14 september 2009
maandag 7 september 2009
Inherent Vice
Lees "Inhrent Vice" van Thomas Pynchon. Een bespreking in de New York Times boekenbijlage is hier te vinden. Thomase Pynchon is hier, zoals de flap vermeldt "working in an unaccustomed genre", namelijk de detective. Het boek is bedoeld als een ode aan auteurs als Dashiel Hammett en Raymond Chandler en dat merk je al bij de eerste zin: "She came along the alley and up the back steps the way she always used to." De detective is Doc Sportello, afkomstig uit de hippie- en surferscene van de zeekant van Los Angeles, en het verhaal speelt in de 60er jaren, de hoogtijdagen van de hippiecultuur. Doc rookt weed en is niet altijd even helder, evenals de figuren uit de scene die hij interviewt om zijn probleem op te lossen. De taal is van de 60er jaren en je moet er even inkomen. Je moet ook even wennen aan allerlei typisch Amerikaanse merknamen, popgroepen van toen, hun nummers en dergelijke. Pynchon, die in 1974 de National Book Award voor "Gravity's Rainbow" kreeg en sindsdien geldt als een van de belangrijkste post-modernistische schrijvers, heeft zich hier verkleed als een auteur uit de 60er jaren. Ik weet nog niet waar het naartoe gaat, maar het is moeilijk het boek opzij te leggen, misschien omdat ik allang geen detective meer heb gelezen. De sfeer, dat is waar het vooral om gaat, is helemaal Chandler.
woensdag 26 augustus 2009
Afrodisiaka
Allemaal reclame voor mijn site "Afrodisiaka", zoals iedereen kan zien. (Foto genomen in Luik op 26 augustus 2009.)
zaterdag 20 juni 2009
Superieur Amerika
Amerikanen kunnen troost vinden in de gedachte dat zij niet het ergste getroffen worden door de huidige recessie. Dat lijkt mij de bedoeling van het artikel van Peter Zeihan waarnaar ik in mijn vorige inzending linkte. Het Amerikaanse systeem, schrijft hij, "is far more stable, durable and flexible than most of the other global economies". Hij "bewijst" dit door de grote economieën van de wereld - van de VS, Rusland, China, Europa - met elkaar te vergelijken. Hoe doet hij dat? Hij gaat uit van het principe dat locatie economie gestalte geeft en begint dan aan een onderzoek van "the long-term picture of why different regions follow different economic paths". Het belangrijkste aspect van de Verenigde Staten is niet gewoon hun omvang, maar de omvang van hun land dat bruikbaar is. In tegenstelling tot Rusland en China waarvan het land grotendeels onbruikbaar is voor landbouw, bewoning en ontwikkeling beschikken de Verenigde Staten, dankzij het Midden Westen, over 's werelds grootste aaneensluitende massa bewerkbare grond. Bovendien hebben de Verenigde Staten een uniek maritiem transportsysteem. De Mississippi, met de Red, de Missouri, de Ohio en de Tennessee rivieren, is het grootste samenhangende netwerk van bevaarbare rivieren van de wereld, terwijl de Verenigde Staten in de San Fransisco Bay, de Chesapeake Bay en de Long Island Sound/New York Bay drie van de grootste en beste natuurlijke havens ter wereld hebben. En of het nog niet genoeg is liggen er op een paar mijl afstand van de kust van Texas en de oostkust series eilanden die als barrières functioneren tegen het geweld van de elementen en zodoende het kustverkeer aanzienlijk bevorderen. "The real beauty" van deze twee gegevens is dat zij op hun beurt nauw samenhangen en elkaar in de hand werken: de grootste akker ter wereld heeft ook nog het beste natuurlijke aan- en afvoersysteem. Ten derde, deze geografie heeft er ook voor gezorgd dat de VS weinig concurrentie van de buren hebben. Canada is veel kouder en veel bergachtiger en Mexico heeft alleen maar kleine lappen bruikbare grond, gescheiden door woestijnen en bergen, te droog, te tropisch en te bergachtig. Bij deze stand van zaken hebben de VS geen groot staand leger nodig om zich tegen deze buren te beschermen. En dit maakt het de V.S. eveneens mogelijk zich op andere dingen te richten. Op het bezetten van andere landen bij voorbeeld, maar dat vermeldt het artikel van Zeihan niet. Hij ziet als nadelen van al deze voordelen die voor hem samenvallen met het kapitalistische systeem, dat de overheid zich niet inlaat met de economie, ongelijkheid, sociale spanningen en, natuurlijk, de speculatieve bubbels die recessies veroorzaken. In termen van lange termijn economische efficiency en groei echter, is het vrije kapitalistische systeem ongeëvenaard. (Ja, als je zulke mooie dingen van anderen hebt kunnen afpakken, dan zit je - op de lange termijn - gebeiteld. Amerika, het land van de (ge)dode indiaan.) En voor het heden? Zijn de VS in recessie? Natuurlijk. Zal dat voor altijd zijn? Natuurlijk niet. Zo lang de geografische voordelen intact blijven, moet je wel erg paranoïde en pessimistisch zijn om iets anders te zien dan lange termijn economische expansie voor zo'n stuk land.
Het artikel, dat ik hier zoveel mogelijk letterlijk heb vertaald, bespreekt dan verder de relatieve nadelen van Rusland (met zijn - noodzakelijke - staatsinterventionisme), China (met zijn separatisme) en Europa (met zijn verdeeldheid), wat hier niet ook nog eens uitgemeten hoeft te worden, de boodschap is duidelijk.
Maar nu mijn vragen. Hebben de Amerikanen die momenteel met ontslag worden bedreigd, hier iets aan? Natuurlijk niet. Kan het de endemische sociale onrust en ongelijkheid verhelpen? Natuurlijk niet. Voorkomt het de bubbels? Natuurlijk niet. Zijn die dingen allemaal irrelevant? Natuurlijk niet. Maakt het de Amerikanen tevreden? Of course not. Hebben ze hun imperialisme nu niet meer nodig? Natuurlijk niet.
Het verhaal is uiterst slordig en tegenstrijdig. Een gegeven geografische gesteldheid is geen economisch systeem, m.a.w. geografisch geweldig gunstige mogelijkheden zijn niet het vrije kapitalistische systeem, zij zijn er - een set van de mogelijke - voorwaarden voor. Als er tussen de twee een noodzakelijke correlatie zou bestaan, zou het idioot zijn om overal elders, waar de voorwaarden niet vervuld zijn, het vrije kapitalistische systeem te willen invoeren, zoals nu gebeurt. Men kan de omgekeerde stelling verdedigen: geografisch geweldig gunstige mogelijkheden maken het tot stand komen van een systeem overbodig en dus onmogelijk. Anders gezegd, als de Amerikanen in het gebied dat zij par droit de conquête als het hunne claimen, een economisch systeem denken te hebben moeten ze dat toch niet teveel propageren. En zeker niet in de vorm van exceptionalisme, "manifest destiny" en andere leuzen. Het bezit van zo'n stuk grond als de Amerikanen als het hunne beschouwen is een toevalstreffer, voor mijn part Gods wil, maar niet iets waar de bezitters zich op kunnen beroemen. Zij hebben het niet gemaakt.
Tot slot, ik zou niet weten wie er gediend is met zo'n verhaal als dit. Het komt neer op de boodschap dat op de lange termijn alles goed komt. Dat geloof ik graag. De paus zegt het ook voortdurend. En al die gedode indianen bewijzen het.
Het artikel, dat ik hier zoveel mogelijk letterlijk heb vertaald, bespreekt dan verder de relatieve nadelen van Rusland (met zijn - noodzakelijke - staatsinterventionisme), China (met zijn separatisme) en Europa (met zijn verdeeldheid), wat hier niet ook nog eens uitgemeten hoeft te worden, de boodschap is duidelijk.
Maar nu mijn vragen. Hebben de Amerikanen die momenteel met ontslag worden bedreigd, hier iets aan? Natuurlijk niet. Kan het de endemische sociale onrust en ongelijkheid verhelpen? Natuurlijk niet. Voorkomt het de bubbels? Natuurlijk niet. Zijn die dingen allemaal irrelevant? Natuurlijk niet. Maakt het de Amerikanen tevreden? Of course not. Hebben ze hun imperialisme nu niet meer nodig? Natuurlijk niet.
Het verhaal is uiterst slordig en tegenstrijdig. Een gegeven geografische gesteldheid is geen economisch systeem, m.a.w. geografisch geweldig gunstige mogelijkheden zijn niet het vrije kapitalistische systeem, zij zijn er - een set van de mogelijke - voorwaarden voor. Als er tussen de twee een noodzakelijke correlatie zou bestaan, zou het idioot zijn om overal elders, waar de voorwaarden niet vervuld zijn, het vrije kapitalistische systeem te willen invoeren, zoals nu gebeurt. Men kan de omgekeerde stelling verdedigen: geografisch geweldig gunstige mogelijkheden maken het tot stand komen van een systeem overbodig en dus onmogelijk. Anders gezegd, als de Amerikanen in het gebied dat zij par droit de conquête als het hunne claimen, een economisch systeem denken te hebben moeten ze dat toch niet teveel propageren. En zeker niet in de vorm van exceptionalisme, "manifest destiny" en andere leuzen. Het bezit van zo'n stuk grond als de Amerikanen als het hunne beschouwen is een toevalstreffer, voor mijn part Gods wil, maar niet iets waar de bezitters zich op kunnen beroemen. Zij hebben het niet gemaakt.
Tot slot, ik zou niet weten wie er gediend is met zo'n verhaal als dit. Het komt neer op de boodschap dat op de lange termijn alles goed komt. Dat geloof ik graag. De paus zegt het ook voortdurend. En al die gedode indianen bewijzen het.
maandag 15 juni 2009
Tomgram: The Ir-Af-Pak War
De macht van Obama:
Tomgram: The Ir-Af-Pak War
Posted using ShareThis
Tom Engelhardt over de macht die Obama, naast zijn retorische, ter beschikking staat en hoe de garnizoenisering van de hele aarde door de VS voortschrijdt van Irak naar Afghanistan naar Pakistan naar Iran. Obama, die ook wel wat monumenten ter zijner eer en glorie wil hebben, net zoals de Franse presidenten dat allemaal doen, gaat nu in Pakistan een ambassade bouwen. Tenminste, zo heet het officieel. Het gaat ongeveer 1.000.000.000.000.- di dollari kosten. Op de website Prinsjesdag2008.nl staat dat “het totaal van wat we met z'n allen verdienen in het Nederlandse productieproces, met daarbij het geld dat binnenkomt uit de indirecte belastingen en subsidies die de kostprijs van producten en/of diensten verlagen”, d.w.z. het bruto nationaal product voor 2009, € 622.000.000.000- bedraagt; onze rijksuitgaven worden geraamd op: € 179.000.000.000,-. Dus als wij ons hele nationale inkomen zouden besteden aan zo'n ambassade, zouden wij haar niet kunnen betalen.
Deze is ook heel informatief:
Alfred McCoy, Back to the Future in Torture Policy, een artikel over de martelinstellingen en -praktijken waarover Obama kan beschikken. Hij schijnt een heel slimme man te zijn, maar hebben wij daar wat aan?
Toen George W. in Irak binnenviel speculeerde iedereen over de vraag wat de VS daar te zoeken hadden. Onze regering, die die inval steunde, - alleen maar politiek, hoor! - had het goede antwoord: de VS beschermen ons daar. Wat genuanceerder: de Amerikanen beschermden er - inderdaad, toegegeven - zichzelf, maar daardoor ook hun cliënten, o.a. Nederland dus. En zo zijn wij de lakeien van de VS geworden, een middeleeuwse staat gebaseerd op martel-, omkopings- en shoot-on-sight-praktijken. Kan het nou echt niet anders?
De macht van Amerika
Als God de macht van de VS al niet gewild heeft, dan toch zeker de natuur. Lees maar hier, een mooi artikel à la Montesquieu van Peter Zeihan van "STRATFOR Global Intelligence". Echt 18e eeuws dus. Maar goed, nu weten we waarom Amerikanen zo superieur en exceptioneel zijn. Het gekke is dat ze niet tevreden kunnen zijn en almaar meer willen, op kosten natuurlijk van anderen.
Tomgram: The Ir-Af-Pak War
Posted using ShareThis
Tom Engelhardt over de macht die Obama, naast zijn retorische, ter beschikking staat en hoe de garnizoenisering van de hele aarde door de VS voortschrijdt van Irak naar Afghanistan naar Pakistan naar Iran. Obama, die ook wel wat monumenten ter zijner eer en glorie wil hebben, net zoals de Franse presidenten dat allemaal doen, gaat nu in Pakistan een ambassade bouwen. Tenminste, zo heet het officieel. Het gaat ongeveer 1.000.000.000.000.- di dollari kosten. Op de website Prinsjesdag2008.nl staat dat “het totaal van wat we met z'n allen verdienen in het Nederlandse productieproces, met daarbij het geld dat binnenkomt uit de indirecte belastingen en subsidies die de kostprijs van producten en/of diensten verlagen”, d.w.z. het bruto nationaal product voor 2009, € 622.000.000.000- bedraagt; onze rijksuitgaven worden geraamd op: € 179.000.000.000,-. Dus als wij ons hele nationale inkomen zouden besteden aan zo'n ambassade, zouden wij haar niet kunnen betalen.
Deze is ook heel informatief:
Alfred McCoy, Back to the Future in Torture Policy, een artikel over de martelinstellingen en -praktijken waarover Obama kan beschikken. Hij schijnt een heel slimme man te zijn, maar hebben wij daar wat aan?
Toen George W. in Irak binnenviel speculeerde iedereen over de vraag wat de VS daar te zoeken hadden. Onze regering, die die inval steunde, - alleen maar politiek, hoor! - had het goede antwoord: de VS beschermen ons daar. Wat genuanceerder: de Amerikanen beschermden er - inderdaad, toegegeven - zichzelf, maar daardoor ook hun cliënten, o.a. Nederland dus. En zo zijn wij de lakeien van de VS geworden, een middeleeuwse staat gebaseerd op martel-, omkopings- en shoot-on-sight-praktijken. Kan het nou echt niet anders?
De macht van Amerika
Als God de macht van de VS al niet gewild heeft, dan toch zeker de natuur. Lees maar hier, een mooi artikel à la Montesquieu van Peter Zeihan van "STRATFOR Global Intelligence". Echt 18e eeuws dus. Maar goed, nu weten we waarom Amerikanen zo superieur en exceptioneel zijn. Het gekke is dat ze niet tevreden kunnen zijn en almaar meer willen, op kosten natuurlijk van anderen.
woensdag 4 februari 2009
Enquête en de oorlog in Irak
Op 20 december 2005 dienden vier leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een voorstel in tot wijziging van de Enquêtewet, die al 150 jaar oud was. In januari 2008 was de behandeling rond en de nieuwe wet trad in werking op 1 april 2008. Een aprilgrap? Vandaag blijkt dat het ding overbodig is.
In het debat over de vraag of het onderzoek naar het waarom van het besluit tot steunverlening aan de oorlog in Irak moet worden gedaan op grond van de Enquêtewet of niet werd duidelijk dat een regeling waaraan twee jaar is gewerkt met groot gemak en zonder duidelijke motivering terzijde kan worden geschoven en vervangen door een inderhaast bedachte onderzoekscommissie. De PvdA die een sleutelpositie in het debat innam inzoverre niet aan iedereen duidelijk was welk haar standpunt zou zijn, had een meetlat uitgevonden aan de hand waarvan zij het voorstel van de minister-president om een commissie in het leven te roepen beoordeelde. Afgezien van vijf belangrijke punten die niet in het ontwerp van de commissie voorkwamen en nu door de PvdA toegevoegd mochten worden, was de PvdA van mening dat er een goede commissie was bedacht. Één meetpunt heeft zij niet gehanteerd, namelijk de vraag of en waarom niet gewoon gebruik zou worden gemaakt van de Enquêtewet. Waarom zo'n omslachtige en halfrijpe constructie gekozen? Er werd van verschillende kanten betoogd dat het resultaat beter zou zijn dan met een enquêtecommissie. De wet op de enquête is dus niet goed, overbodig, whatever.
Stel nu eens dat de minister-president gewoon had gezegd: "Ik ben van mening dat de publieke opinie - van nu - aanleiding geeft tot een onderzoek. Ik wil daar graag aan tegemoetkomen. Ik geef het verzet tegen een onderzoek dat ik zes jaar heb gevoerd bij dezen op en zal mij niet verzetten tegen een initiatief van het parlement tot het houden van een onderzoek inzake enz."
Ik hoef niet te speculeren om te weten dat het debat van vandaag dan niet had hoeven plaatsvinden. (Hoeveel kost een dag parlementair werk? En hoeveel het overbodige werk van twee jaar aan een nieuwe wet?) Misschien had er behoefte bestaan aan een onderscheiding voor de minister-president, want dat zou nog eens een mooie daad zijn geweest. In plaats daarvan kán hij het niet laten om het initiatief aan zich te houden. Waarom? Ja, dat is de nieuwste vraag die de zaak nog meer vertroebelt dan zij al was.
In het debat over de vraag of het onderzoek naar het waarom van het besluit tot steunverlening aan de oorlog in Irak moet worden gedaan op grond van de Enquêtewet of niet werd duidelijk dat een regeling waaraan twee jaar is gewerkt met groot gemak en zonder duidelijke motivering terzijde kan worden geschoven en vervangen door een inderhaast bedachte onderzoekscommissie. De PvdA die een sleutelpositie in het debat innam inzoverre niet aan iedereen duidelijk was welk haar standpunt zou zijn, had een meetlat uitgevonden aan de hand waarvan zij het voorstel van de minister-president om een commissie in het leven te roepen beoordeelde. Afgezien van vijf belangrijke punten die niet in het ontwerp van de commissie voorkwamen en nu door de PvdA toegevoegd mochten worden, was de PvdA van mening dat er een goede commissie was bedacht. Één meetpunt heeft zij niet gehanteerd, namelijk de vraag of en waarom niet gewoon gebruik zou worden gemaakt van de Enquêtewet. Waarom zo'n omslachtige en halfrijpe constructie gekozen? Er werd van verschillende kanten betoogd dat het resultaat beter zou zijn dan met een enquêtecommissie. De wet op de enquête is dus niet goed, overbodig, whatever.
Stel nu eens dat de minister-president gewoon had gezegd: "Ik ben van mening dat de publieke opinie - van nu - aanleiding geeft tot een onderzoek. Ik wil daar graag aan tegemoetkomen. Ik geef het verzet tegen een onderzoek dat ik zes jaar heb gevoerd bij dezen op en zal mij niet verzetten tegen een initiatief van het parlement tot het houden van een onderzoek inzake enz."
Ik hoef niet te speculeren om te weten dat het debat van vandaag dan niet had hoeven plaatsvinden. (Hoeveel kost een dag parlementair werk? En hoeveel het overbodige werk van twee jaar aan een nieuwe wet?) Misschien had er behoefte bestaan aan een onderscheiding voor de minister-president, want dat zou nog eens een mooie daad zijn geweest. In plaats daarvan kán hij het niet laten om het initiatief aan zich te houden. Waarom? Ja, dat is de nieuwste vraag die de zaak nog meer vertroebelt dan zij al was.
zaterdag 10 januari 2009
Rede en religie
Twee jaar geleden, in januari 2007, maakte ik in dit blog een paar opmerkingen over een lacune in de geschiedenis van de filosofie, het hiaat - van drie eeuwen - tussen Ockham en Descartes. Wat mij in die geschiedenis vooral boeide dat was de vraag van Louis Bouyer naar de oorzaken van de dechristianisering in de 16e eeuw. Met die vraag had ik kennisgemaakt in de 50er jaren, toen het boek van Bouyer in de vorm van een vertaling van Sjeng Tans in Nederland werd geïntroduceerd. Sinds die tijd heeft de problematiek van de verhouding tussen het christelijke en het seculiere denken mij op gezette tijden beziggehouden. Ik vatte haar hoofdzakelijk op als een persoonlijk probleem, dat van iemand die van fundamentalistisch christelijk seculier werd of, zoals ik op andere momenten dacht en denk, was geworden.
Het was vooral de zogenaamde realiteit die mij de concrete vragen dicteerde waarin zich deze algemene problematiek aan mij opdrong. Ik was successievelijk ambtenaar en wetenschappelijk medewerker aan een juridische faculteit en zowel het bestuurlijke als het juridische denken leken mij te conflicteren met het geloof zoals ik het had opgevat. Ook de toenmalige ideologie, zoals ik haar percipieerde en meemaakte, geïnspireerd op de geschriften van Marx e.t.q., evenals de ludieke wending in het maatschappelijke gedragspatroon, kon ik niet in overeenstemming brengen met - mijn interpretatie van - het christelijke geloof.
Al in 1960 had ik daar afscheid van genomen, meer op het gevoel, op een literaire intuïtie dan op de "rede" (waarop ik zo dadelijk kom), ja, misschien wel op een volstrekt orthodoxe theologische intuïtie. Als God, zo redeneerde ik, inderdaad de god van de Liefde was zoals Dante hem beschreef, dan moest ik niet voortdurend, op zijn minst eens per week, aan zijn kop zeuren, maar hem vergeten, zoals de romanschrijver de lezer moet vergeten. Zolang ik immers aan hem bleef denken, was ik aan hem gebonden - keek ik hem naar de ogen - en dat zou hij vast niet willen, hij zou mijn volkomen zelfstandigheid willen. En als ik iets voor hem wilde doen, dan was het een leven waaraan hij plezier kon beleven. Let wel, waaraan hij, zoals hij was, plezier kon beleven en dat kon hij vast niet aan de wekelijkse psalmpomperij waarmee de godvrezende luitjes hem meenden te eren of zo.
Met deze misschien paradoxale opvatting kan ik nog steeds leven. "Von Zeit zu Zeit," denk ik graag, "seh' Ich den Alten gern und hüte mich mit ihm zu brechen."
In de 80er jaren kreeg ik vakmatig te maken met het oorlogsrecht. Een ogenblik dacht ik het pacifisme te moeten omhelzen, maar ik realiseerde mij heel snel dat het mij te absoluut was. Het verzet tegen - bij voorbeeld - de neutronenbom was mij ook teveel geïnfiltreerd door christelijke elementen, Bergrede-interpretaties in het bijzonder. En ik geloofde niet in de kracht van demonstraties als middel om de politiek te beïnvloeden, althans ik geloofde niet dat zij het geduldige werk van de diplomatie overbodig maakten, zoals nog wel eens te horen was. Aangezien ik de geschiedenis van het volkenrecht doceerde, had ik toegang tot het onderdeel van de geschiedenis van het oorlogsrecht, d.w.z. tot de door Augustinus, Thomas van Aquino, Spaanse neoscholastici, Hugo de Groot, natuurrechtsleraren en positivisten ontwikkelde theorieën. Het bracht mij weer op het christelijke denken van de Middeleeuwen, een denken dat, zeker onder het pausschap van Pius XII, intensief tot gelding werd gebracht. Ik besloot mij er meer in te verdiepen, niet in de laatste plaats om het intellectuele milieu van mijn eigen jeugd als vormende kracht in kaart te brengen. (Dit leidde al meteen tot een verrassend resultaat: had ik tot dan toe mijn christelijke, katholieke verleden maar liever verzwegen of verdrongen, ik kon nu zonder schroom praten over het christelijke verleden van Europa, dus van ons allemaal. Dat was een opluchting.)
Europa, leerde ik, had, na de vroegchristelijke periode en tot de Reformatie, een tweetal tijdperken doorlopen die door historici werden aangeduid als augustinistisch en thomistisch. Het verschil zat in de plaats van de rede. Terwijl zij in de augustinistische opvatting ondergeschikt was gemaakt aan het geloof, kreeg zij bij Thomas een zelfstandige functie. Ik leerde ook dat de rede in de tijd van Thomas in de gedaante van het humanisme een zelfstandige plaats nastreefde. Ik stortte mij op het humanisme en de Renaissance en kwam weer terug op de vraag van Bouyer of de Renaissance misschien de factor is geweest die Europa - hij schreef zelfs "de wereld" - onchristelijk heeft gemaakt (nadat het/hij het in de Middeleeuwen was geworden).
Ik denk niet dat het seculier worden van Europa plaatsvond in de filosofie en het humanisme alleen. Seculariteit is wel een opvatting of standpunt, maar meestal gewoon verdisconteerd in een praktijk. Men heeft geen geloof nodig om te weten hoe men een gebroken been moet spalken of hoe men een achterband moet plakken of hoe men zijn zaken financieel goed op orde moet houden of hoe men moet voorkomen dat het dak van zijn huis waait en dat soort dingen. Er is met andere woorden een immens gebied van het leven waar de pastoor noch de dominee iets te zoeken heeft, maar waar gewoon de dijken onderhouden moeten worden wil men niet verdrinken. Dat gebied is zo groot (geworden?) dat men voor de godsdienst met een klein uurtje per week kan volstaan en zelfs niets merkt als men ook dat nog vergeet (omdat men zo nodig moet recreëren, bij voorbeeld op de meubelboulevard).
Uiteraard bracht mijn gepieker over dit soort dingen in de loop der jaren een forse bibliotheek in huis, in hoofdzaak van historische aard. Om hier niet de hele catalogus te reproduceren volsta ik met het noemen van een van mijn laatste aanwinsten: "Der Gott der Philosophen" van Wilhelm Weischedel, volgens de ondertitel een "Grundlegung einer philosophischen Theologie im Zeitalter des Nihilismus". Het boek beslaat twee "Bände" waarvan het eerste een lijvige geschiedenis, in 375 bladzijden, van de filosofische theologie, iets anders gezegd: van de geschiedenis van de verhouding van geloof en rede. Die geschiedenis beslaat niet alleen 375 pagina's, maar ook bijna 2 millennia.
Misschien iets voor de "essayisten" die volgens de boekenbijlage van NRC-Handelsblad van vrijdag 9 januari jl. "zoeken naar een plaats voor de rede in een religieuze wereld - en vice versa". Ik kom natuurlijk op dit verhaal van mij naar aanleiding van wat daar geschreven wordt. Ger Groot "bespreekt" er een zestal boeken over deze thematiek, waar hij één bladzijde voor nodig heeft. Je leert daar dus niks van, maar dat is normaal in dat blad.
Het was vooral de zogenaamde realiteit die mij de concrete vragen dicteerde waarin zich deze algemene problematiek aan mij opdrong. Ik was successievelijk ambtenaar en wetenschappelijk medewerker aan een juridische faculteit en zowel het bestuurlijke als het juridische denken leken mij te conflicteren met het geloof zoals ik het had opgevat. Ook de toenmalige ideologie, zoals ik haar percipieerde en meemaakte, geïnspireerd op de geschriften van Marx e.t.q., evenals de ludieke wending in het maatschappelijke gedragspatroon, kon ik niet in overeenstemming brengen met - mijn interpretatie van - het christelijke geloof.
Al in 1960 had ik daar afscheid van genomen, meer op het gevoel, op een literaire intuïtie dan op de "rede" (waarop ik zo dadelijk kom), ja, misschien wel op een volstrekt orthodoxe theologische intuïtie. Als God, zo redeneerde ik, inderdaad de god van de Liefde was zoals Dante hem beschreef, dan moest ik niet voortdurend, op zijn minst eens per week, aan zijn kop zeuren, maar hem vergeten, zoals de romanschrijver de lezer moet vergeten. Zolang ik immers aan hem bleef denken, was ik aan hem gebonden - keek ik hem naar de ogen - en dat zou hij vast niet willen, hij zou mijn volkomen zelfstandigheid willen. En als ik iets voor hem wilde doen, dan was het een leven waaraan hij plezier kon beleven. Let wel, waaraan hij, zoals hij was, plezier kon beleven en dat kon hij vast niet aan de wekelijkse psalmpomperij waarmee de godvrezende luitjes hem meenden te eren of zo.
Met deze misschien paradoxale opvatting kan ik nog steeds leven. "Von Zeit zu Zeit," denk ik graag, "seh' Ich den Alten gern und hüte mich mit ihm zu brechen."
In de 80er jaren kreeg ik vakmatig te maken met het oorlogsrecht. Een ogenblik dacht ik het pacifisme te moeten omhelzen, maar ik realiseerde mij heel snel dat het mij te absoluut was. Het verzet tegen - bij voorbeeld - de neutronenbom was mij ook teveel geïnfiltreerd door christelijke elementen, Bergrede-interpretaties in het bijzonder. En ik geloofde niet in de kracht van demonstraties als middel om de politiek te beïnvloeden, althans ik geloofde niet dat zij het geduldige werk van de diplomatie overbodig maakten, zoals nog wel eens te horen was. Aangezien ik de geschiedenis van het volkenrecht doceerde, had ik toegang tot het onderdeel van de geschiedenis van het oorlogsrecht, d.w.z. tot de door Augustinus, Thomas van Aquino, Spaanse neoscholastici, Hugo de Groot, natuurrechtsleraren en positivisten ontwikkelde theorieën. Het bracht mij weer op het christelijke denken van de Middeleeuwen, een denken dat, zeker onder het pausschap van Pius XII, intensief tot gelding werd gebracht. Ik besloot mij er meer in te verdiepen, niet in de laatste plaats om het intellectuele milieu van mijn eigen jeugd als vormende kracht in kaart te brengen. (Dit leidde al meteen tot een verrassend resultaat: had ik tot dan toe mijn christelijke, katholieke verleden maar liever verzwegen of verdrongen, ik kon nu zonder schroom praten over het christelijke verleden van Europa, dus van ons allemaal. Dat was een opluchting.)
Europa, leerde ik, had, na de vroegchristelijke periode en tot de Reformatie, een tweetal tijdperken doorlopen die door historici werden aangeduid als augustinistisch en thomistisch. Het verschil zat in de plaats van de rede. Terwijl zij in de augustinistische opvatting ondergeschikt was gemaakt aan het geloof, kreeg zij bij Thomas een zelfstandige functie. Ik leerde ook dat de rede in de tijd van Thomas in de gedaante van het humanisme een zelfstandige plaats nastreefde. Ik stortte mij op het humanisme en de Renaissance en kwam weer terug op de vraag van Bouyer of de Renaissance misschien de factor is geweest die Europa - hij schreef zelfs "de wereld" - onchristelijk heeft gemaakt (nadat het/hij het in de Middeleeuwen was geworden).
Ik denk niet dat het seculier worden van Europa plaatsvond in de filosofie en het humanisme alleen. Seculariteit is wel een opvatting of standpunt, maar meestal gewoon verdisconteerd in een praktijk. Men heeft geen geloof nodig om te weten hoe men een gebroken been moet spalken of hoe men een achterband moet plakken of hoe men zijn zaken financieel goed op orde moet houden of hoe men moet voorkomen dat het dak van zijn huis waait en dat soort dingen. Er is met andere woorden een immens gebied van het leven waar de pastoor noch de dominee iets te zoeken heeft, maar waar gewoon de dijken onderhouden moeten worden wil men niet verdrinken. Dat gebied is zo groot (geworden?) dat men voor de godsdienst met een klein uurtje per week kan volstaan en zelfs niets merkt als men ook dat nog vergeet (omdat men zo nodig moet recreëren, bij voorbeeld op de meubelboulevard).
Uiteraard bracht mijn gepieker over dit soort dingen in de loop der jaren een forse bibliotheek in huis, in hoofdzaak van historische aard. Om hier niet de hele catalogus te reproduceren volsta ik met het noemen van een van mijn laatste aanwinsten: "Der Gott der Philosophen" van Wilhelm Weischedel, volgens de ondertitel een "Grundlegung einer philosophischen Theologie im Zeitalter des Nihilismus". Het boek beslaat twee "Bände" waarvan het eerste een lijvige geschiedenis, in 375 bladzijden, van de filosofische theologie, iets anders gezegd: van de geschiedenis van de verhouding van geloof en rede. Die geschiedenis beslaat niet alleen 375 pagina's, maar ook bijna 2 millennia.
Misschien iets voor de "essayisten" die volgens de boekenbijlage van NRC-Handelsblad van vrijdag 9 januari jl. "zoeken naar een plaats voor de rede in een religieuze wereld - en vice versa". Ik kom natuurlijk op dit verhaal van mij naar aanleiding van wat daar geschreven wordt. Ger Groot "bespreekt" er een zestal boeken over deze thematiek, waar hij één bladzijde voor nodig heeft. Je leert daar dus niks van, maar dat is normaal in dat blad.
