De Raad voor de Constitutie

Ton Lenssen

Het proefschrift van de oud-secretaris van de, zoals bekend, in 1975 opgeheven Raad voor de Constitutie óver die raad, waarop zij cum laude is gepromoveerd en dat haar inmiddels een lectoraat in het staatsrecht en de politieke theorieën heeft opgeleverd, is zeer goed ontvangen. Niet alleen heeft de faculteit die de doctorstitel verleende, - de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Utrecht, - haar lof toegezwaaid, ook de landelijke coryfeeën van de vakgebieden staatsrecht, politicologie en politieke geschiedenis die waren uitgenodigd het in de vakpers te bespreken, hebben het praktisch unaniem bejubeld. De man van het staatsrecht, A.M. van Geven, ook oud-lid van de Raad, noemt het in het Nederlands Juristenblad "een uitstekend voorbeeld van de stijl waarin en de vakopvatting op grond waarvan tegenwoordig werken over het staatsrecht worden geschreven". De politicoloog Van den Bosch, alweer een oud-lid, in Acta Politica, vindt het "een fraai staal van wetenschappelijke afstandelijkheid en objectiviteit, om niet te zeggen, een kostbare rariteit in deze tijd van hyperkritiek". En de historicus Ph. G. van Jaarsveldt verklaart het werk tot "een waardige bijdrage aan de staatkundige geschiedenis van Nederland, geheel in de lijn van mensen als De Bosch Kemper, Van Welderen Rengers, Oud, Duynstee ...".
Het boek van Van Lokeren omvat 250 bladzijden, een mooie omvang voor een historisch-juridisch proefschrift. Het beschrijft de geschiedenis van de totstandkoming van de raad (hoofdstuk I), zijn organisatiestructuur en werkwijze, zoals die blijken uit de Wet op de Raad voor de Constitutie van 4 juni 1954 en het Reglement van diezelfde datum (hoofdstuk II), de voornaamste activiteiten (hoofdstuk III) en de opheffing (hoofdstuk IV). Het eindigt met een slotbeschouwing waarin een program wordt ontworpen "voor een kritische studie van de constitutionele ontwikkeling van Nederland". Dit program is gebaseerd op de in deze slotbeschouwing geformuleerde hypothese dat een verband bestaat tussen de opheffing van de raad en zijn stichting, welk verband door diepergaand historisch onderzoek dan het proefschrift zelf levert, aan het daglicht moet worden gebracht. Dit historisch onderzoek zou zich vooral moeten bedienen van ideologiekritische categorieën en Van Lokeren acht haar eigen werk niet meer dan een aanzet daartoe, een materiaalverzameling ervoor, bestaande in de vaststelling van de relevante feiten. Zoals Van den Bosch al fijntjes heeft opgemerkt: "De schrijfster leidt de lezer als een echte gids (Als Natalie in het bekende chanson van Gilbert Bécaud? J.B.) tot bij de bezienswaardigheid waarvoor hij als toerist is gekomen, zonder het object zelf te benoemen: de lezer moet zelf zien. Het is duidelijk, Van Lokeren wil een onderzoek naar het verband tussen de ontwikkeling van de ideologische stromingen en van een instituut als de Raad voor de Constitutie. Zij heeft daarover ook wel een opinie, maar spreekt die niet uit, bewust geen voet gevende aan de heersende mode die sinds het ontstaan van Nieuw Links zonder deugdelijke gronden alles met alles laat samenhangen."
Het is natuurlijk niet mijn bedoeling een boekbespreking te schrijven die geheel bestaat uit citaten van anderen. Ik meen op deze wijze echter een kardinaal punt op de voorgrond te plaatsen. Alvorens ik daarop inga wil ik echter, vooral voor de niet-juridisch geschoolde lezer, wat meer zakelijke informatie over de onderhanden materie verstrekken, wat uitstekend kan door nader de inhoud van het proefschrift te excerperen, dat immers juist deze informatie wil verstrekken. Overigens merk ik op dat ik zelf niet-juridisch geschoold, noch ook een politicoloog of historicus ben. Ik onderneem deze activiteit vanuit mijn speciale relatie tot de Raad voor de Constitutie; later zal blijken welke dat is, hier is het voldoende erop te attenderen dat ik niet schrijf vanuit een of andere specialistische discipline.


Achtergronden van de Raad

Zoals uit het voorgaande al kan worden opgemaakt gaat mijn belangstelling in dezelfde richting als die van de schrijfster: de ideologische achtergronden van bestaan en activiteit van de raad. M.i. onthult het proefschrift daarover meer dan Van den Bosch wil doen geloven. In het eerste hoofdstuk wordt niet alleen een overzicht gegeven van de parlementaire gedachtenwisseling als voorgeschiedenis van de Wet op de Raad voor de Constitutie, maar een aparte paragraaf gewijd aan de grondlegger van de raad, Prof. J.M. Kortenraay, M.S.C., bedoeld als "een klein monument voor deze staatkundige denker in de coulissen van de wetenschap". De schrijfster vermeldt met de haar eigen bescheidenheid dat de evaluatie van de gedachtenwereld van Kortenraay een dissertatie apart vergt en beperkt zich tot het beschrijven van de samenhang tussen bepaalde gedachten uit het proefschrift van Kortenraay uit 1936, getiteld : "Katholieke Actie", en de Nota aan de Minister-President van 16 juli 1945, o.a. met het voorstel te komen tot de oprichting van wat Kortenraay daarin nog noemde de "Bijzondere Raad voor de Nationale Toetsing". Deze nota is volgens Van Lokeren de organisatorische uitwerking van bepaalde ideeën uit het proefschrift van K., in het bijzonder die waarin het gaat over de zg. "nationale actie". Van Lokeren meent daarin te zien een opvatting van de constitutie als "program van nationale actie", waarmee Kortenraay zich zou afzetten tegen het socialistische Plan voor den Arbeid, maar ook, en nog sterker, in de lijn van staatsraad Struycken, tegen het individualisme. Kortenraay meende dat er een nationale doelstellingsbepaling moest komen, die als een pre-ambule moest worden gehecht aan een nieuwe grondwet; de Bijzondere Raad voor de Nationale Toetsing zou worden belast met de toetsing daaraan van alles wat door wetgever en bestuur zou worden ondernomen, benevens met de organisatie van de nationale doelstellingendiscussies, die minstens om de vijf jaar moesten plaatsvinden. In de loop van de negen jaar durende, door Kortenraay met taaie volharding en ongeëvenaarde manipuleertechniek gevoerde gedachtenwisselingen is de naam van de bepleite instelling tenslotte geworden wat hij volgens de wet is en tot zijn opheffing was.
Van Lokeren geeft hiermee de denkbaarheid van de raad aan, nu deze voor een eenheidssstaat als Nederland niet vanzelfsprekend is. Als toetsingshof heeft een dergelijk instituut alleen maar reden van bestaan, zo redeneert zij, wanneer producten van de nationale soevereiniteitdragende instellingen moeten worden getoetst aan bovennationale, bv. federale normen, zoals in Duitsland, de Verenigde Staten, e.d. Weliswaar kenden wij het bovenstatelijke koninkrijk van het Statuut van 1954, maar dat was er in 1945 nog niet en bovendien wilde Kortenraay dááraan niet denken; áls hij al een voorstander was geweest van dekolonisatie, had hij er in 1945 wel degelijk aan kunnen denken, maar de koloniën boeiden hem alleen als missioneringsgebieden. Nee, Kortenraay wilde de nationale actie, teneinde "de jeugd en de arbeiders een doel te geven om voor te vechten, om ze om te smeden tot helden en heiligen", zoals hij het zelf menigmaal formuleerde. De raad zou eigenlijk functioneren als een toets aan de directe wil van het volk, hij was een direct volkshof. Soms noemde Kortenraay de raad een "instrument van de revolutie, immers van de beweging" en hij bedoelde daarmee dat er geen overheidsinstantie ongecontroleerd zou kunnen opereren. Het volk zelf zou duidelijk stem krijgen.

Kortenraay

Over de figuur van Kortenraay vermeldt Van Lokeren overigens bijna niets. Wel verwijst zij naar een aantal geschriften van vooroorlogse staatsgeleerden, uit wier werk K. zou hebben geput, maar daarvan blijkt uit de aangevoerde documentatie, zoals Van Lokeren zelf opmerkt, onvoldoende. Het heeft weinig zin, bij afwezigheid van dat documentatiemateriaal, op deze verwijzingen door te gaan; het zou de niet-deskundige lezer ook weinig zeggen. Om wat meer licht te werpen op de zo belangrijke persoon van de grondlegger van de raad, wil ik hier echter een aantekening opnemen die ikzelf jaren geleden heb geschreven. Het toeval (?) wil namelijk dat ik Kortenraay zelf heb gekend. De aantekening spreekt, meen ik, voor zichzelf.

"Zoals Veraart voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, zo heeft Kortenraay gevochten voor de Raad voor de Constitutie. Eigenlijk moet ik zeggen: pater Kortenraay, want zo werd hij door katholiek en andersdenkende genoemd. Pater Kortenraay, M.S.C. (Mit Solidem Credit). Ik heb hem gekend. Een onmogelijke coïncidentie. Ik bedoel dat ik ergens bij het begin van mijn maatschappelijk leven de auctor intellectualis heb gekend van het instituut waar ik nu werk of waarvan ik de geschiedschrijver ben of van iets zo belangrijks als de Raad terwijl ikzelf toch ... Nou, ja. Als ik mij goed herinner is pater Kortenraay een keer bij ons aan huis geweest, hoewel ik mij niet goed kan voorstellen wat hij daar te zoeken had. Er kwamen wel vaker geestelijken zich bemoeien met de opvoeding, tot grote ergernis van mijn vader, maar dat waren parochiegeestelijken en pater Kortenraay woonde "bij de paters", in het klooster. Ik denk dat mijn vader na de oorlog zocht naar nieuwe, niet-dorpse contacten en daarbij het bij de paters voorradige intellectualisme heeft aangeboord. Ik heb in de vijftiger jaren zelf ook pogingen in die richting gedaan.
Pater Kortenraay was eerst gepromoveerd in de theologie en gaf Nederlands en godsdienst aan een meisjeslyceum. Hij was actief in het maatschappelijk leven, wat betekende dat hij op diocesaan niveau dingen deed in de Mariacongregatie, de R.K. Ambtenarenbond, de diocesane bond van R.K. Voetbalverenigingen, de dito van de R.K. Schutterijen, van R.K. Fanfares, R.K. Duivensportverenigingen, R.K. Kruisverenigingen, R.K. Gezinszorg, R.K. Verkennerij, R.K. Enzovoort. Hij hield lezingen voor organisaties van mijnemployees, verkeerde in Rotarykringen in Maastricht, kende het halve hoofdkantoor van de Staatsmijnen in Heerlen, onderhield vele relaties met de academici van Stikstofbindingsbedrijf en Centraal Laboratorium in Geleen, adviseerde bioscoopdirecties, schreef in de Gazet van Limburg. Een man die zijn sociale contacten kapitaliseerde door er precies datgene uit te halen wat hijzelf nodig had en de rest over te laten aan de dankbaarheid en schuldgevoelens van al diegenen die hem als een interessante man in hun wereldje wilden binnenhalen. Hij werd zeer veel gevraagd, hem werd zeer veel autoriteit opgedrongen, hij was dus mijlen ver weg.
Ik weet niet eens of hij een echt machtig man was. Wat is echt machtig? Lichamelijk maakte hij wel een vitale indruk. Hij was rond 1.80 meter lang, fors en wat gezet, buikig, een piknisch type met een rond kalend hoofd, niet kogelrond, maar met dikke wangen. Hij was altijd gekleed in toog. (Voor mijn kinderen: een toog is niet een soort toonbank waar je tegen aan leunt als je staat te drinken. Dat is een bar, die men toen gewoon tapkast noemde. Een toog is een priester-burnoes of zo, reikend van de adamsappel tot op de schoenen, van voren van onder tot boven of - van boven naar onder - openknoopbaar en voorzien van ongeveer 48 of misschien ook wel 148 knoopjes. Togen worden tegenwoordig alleen nog maar door priesters in vacantielanden gedragen.) Pater Kortenraay was wat je noemt een bonhomme, althans een bonhommie uitstralende sigaartjes rokende man. Waarschijnlijk voelde hij zich van de rijkheid van het roomse leven nogal verzadigd en zat. Misschien had hij die houding in zijn jeugd opgebouwd aan de hand van het ideaal van Frans van Assisië of van Pieter van der Meer de Walcheren van wie hij een vurig bewonderaar was, maar was hij op latere leeftijd realistische geworden, milder zou hij zelf zeggen. Hij wist dat hij geen heilige zou worden. Hij bleef de mensen nog wel opwekken tot optimisme en godsvertrouwen, maar er kwam een zekere geresigneerdheid, ja routinematigheid in zijn optreden. Hij kon nog wel met grote lyriek spreken over Maria, het "moederke Gods", maar misschien dacht hij daarbij wel aan een van die sappige jonge meiden van het luceum waar Mariken van Nimwegen in gekuiste vorm werd gedoceerd, zodat de leerlingen daaruit niet te horen kregen dat zij slechts maagd waren totdat de buik rijst. Pater Kortenraay heeft bij mijn weten de tijd niet meer meegemaakt dat priesters meenden dat zij "ook maar mensen" waren. Als ik het goed heb stierf hij in 1958. Hij heeft mij in ieder geval niet verteld hoe hij zijn "ook-maar-mens-zijn" heeft verwerkt. Was hij homofiel? Pederast? Ging hij stiekum naar de hoeren? Masturbeerde hij? Ik was te jong om dat soort dingen over hem zelfs maar in mijn gedachten te krijgen. Mijn vage herinnering zegt mij dat hij eigenlijk helemaal niet een echt goedhartig of goedaardig type was, maar dat hij heel cholerische trekken had. Inderdaad, nu ik er over nadenk, herinner ik mij dat het mij tegenviel dat ook hij leerlingen sloeg en meisjes aan haar oren uit de bank tilde. En eigenlijk had hij een beetje die laatdunkende blik van iemand die zich zit vol te vreten en te zuipen en waakzaam toeziet dat niet een hongerlijder zijn hand naar de tafel uitstrekt.
Wat destijds zeer belangrijk werd gevonden, dat was dat deze pater Kortenraay een huisvriend van Beel was. Achteraf vraag ik mij af of de oud-gemeente-ambtenaar van Eindhoven zich niet veel meer vereerd voelde met de bezoeken en de gesprekken van de bezielende pater. In ieder geval staat voor mij vast dat het ontstaan van de Raad voor de Constitutie gezocht moet worden in de rokerige gesprekken tussen deze twee mannen in en vlak na oorlogstijd en dat Beel hier werd "omgesmeed" niet tot een held of een heilige, maar tot het instrument dat, eenmaal minister geworden, de denkbeelden van de eerwaarde heer omzette in een staatsrechtelijke instelling, de Raad voor de Constitutie.
Organisatie en werkwijze

In hoofdstuk II beschrijft Mr. van Lokeren "organisatie en werkwijze van de raad volgens de Wet op de Raad voor de Constitutie van 4 juni 1954 (verder: de Wet)". Dit opschrift is in zoverre correct dat zij op typisch juridische manier uitgaat van - een parafrase van - de wetstekst die zij toelicht met overwegingen uit de parlementaire geschiedenis, maar hier en daar ook gegevens vermeldt over het feitelijk functioneren van de raad. Het is ook door de politicoloog Van den Bosch niet opgemerkt, maar in feite ontloopt zij hiermee toch haar verplichting om aan te geven wat zo'n raad nu eigenlijk is, wat zijn wezen en zin is, zijn aard en karakter, dat waarvan een wet toch slechts een bepaalde vorm is. Dat wezen zou zij alleen hebben kunnen verklaren en weergeven door zich te verdiepen in de objectieve geest waarin de raad is gerealiseerd en dat is nu precies wat zij het hele boek door vermeden heeft. Welbewust, zoals Van den Bosch naar zich toe interpreteert, namelijk op grond van goede wetenschap? Of uit relativisme? Of is dat hetzelfde? Of uit wijsheid? De wijsheid van de kantianen die zich een bedaagd scepticisme hebben aangemeten? Is Van Lokeren hierin meer dan een ambitieuze conformiste? Heeft zij al de leeftijd, ervaring en belangeloosheid om de mode te overstijgen en, als dat zo is, zelfs de moed om ook de alwetendheid van het totale dogma waarachter pas het ware inzicht dat zowel subjectief als objectief verantwoord is, wordt verworven, binnen zichzelf te relativeren? En is een dergelijk inzicht vandaag de dag te handhaven?
Ik geloof niet, zo men al vindt dat een behandeling als die van het tweede hoofdstuk legitiem is, dat een weergave - in het historische, inleidende hoofdstuk - van de ideeën van Kortenraay voldoende is om het wezen van een instelling als de raad te treffen. Van Lokeren zou dieper hebben moeten graven. Het is wel aardig zo’n man zoveel eer te geven, maar toch weinig nuttig om te laten zien hoe in Nederland een dergelijke instelling kan bestaan. Zij zou ongetwijfeld zijn gestoten op het federale karakter van het Nederlandse partijenbestel. De gedachte van Kortenraay, hoe fascistoïde aangekleed ook, was nog zo gek niet: aIleen vrij gedetailleerde afspraken tussen de grote politieke partijen vermogen enige objectiviteit en dus stabiliteit teweeg te brengen. De vraag is of dat ook geldt voor de constitutionele structuur. Vlak na de oorlog leek dit in ieder geval wel zo te zijn: men leek het eens in het anti-fascisme. Dáárop heeft Kortenraay gegokt en zijn succes binnengehaald.


Activiteiten

Welke activiteiten hebben in de raad plaatsgevonden (hoofdstuk III)? Kan men - prealabele vraag - verwachten dat zich in zo'n instelling de gehele constitutionele ontwikkeling van een bepaalde periode weerspiegelt? Ik denk van niet. Mr. van Lokeren heeft ook hier de positivistische, niet de kritische weg bewandeld en behandelt wat feitelijk in de raad aan de orde is geweest zonder dat te plaatsen tegen de achtergrond van de werkelijke constitutionele ontwikkeling. Wat zij vertelt is trouwens nog interessant genoeg.
In de eerste plaats was dit de taakomschrijving van de raad tezamen met de installatie-rede van de minister van binnenlandse zaken. Het meest saillante punt daarbij vind ik de omschrijving van het begrip "constitutie" dat na lange discussies werd gedefinieerd als het "formele of grondwettelijke staatsrecht inclusief het grondwettelijke ius constituendum". Deze discussies waren overigens onderdeel van meer omvattende beraadslagingen over een "algehele grondwetsherziening", waarbij het vooral te doen was om aan te geven waarin dat "algehele" bestond. Een eerste opdracht aan de raad was een adviesaanvraag over de punten die bij een dergelijke herziening bekeken moesten worden. In de raad openbaarden zich tenminste drie stromingen: zij die van een buitengrondwettelijke constitutie niet wilden horen, zij die de constitutie in haar geheel in de beschouwingen wilden betrekken en tegelijk aangeven welke delen ongerept moesten blijven (de parlementaire democratie bv.) en welke wijziging danwel aanvulling dienden te ondergaan, en zij die een gans nieuwe structuur wensten. De laatsten vooral beriepen zich op de ideeënwereld van Kortenraay. Overigens werd herhaalde malen teruggegrepen op gedachtenwisselingen in de Tweede Kamer tussen Drees, Oud, Van der Goes van Naters, Tilanus, Welter en De Groot uit 1952, waarin ook al was gebleken van grote verdeeldheid over dit onderwerp.
Het is duidelijk dat al bij deze eerste taakuitoefening blijkt dat de raad een achterhaald instituut is; de dragende idee is niet algemeen genoeg meer, de ideeën van Kortenraay blijken nog slechts te leven bij een minderheid en te hebben plaatsgemaakt voor wederopbouwfilosofie, d. w.z. een wel programachtig grondwetsgbegrip, maar met een ad-hoc-karakter en ontdaan van heroïek. Niet helemaal uit de verf is gekomen in hoeverre deze ad-hoc-constructie niet een verkapte weergave van de planning-filosofie van het Plan van de Arbeid was. Argumenten werden veelal ontleend aan het boek van Van der Goes van Naters "De leiding van den staat", dat thans blijkt een opmerkelijk voorlijk karakter te hebben gehad. De katholieken in de raad waren echter zover nog niet; zoals bekend duurde het tot in de zestiger jaren (na de onderkenning van de Kennedy-style?) voordat men in die kringen kon besluiten tot het managerialisme. (lk denk aan een publicatie van F. Duynstee in De Tijd, in Maart en April 1964.) Jammer is dat ten gevolge van deze feiten de na-oorlogse ideeën over de constitutionele ontwikkeling slechts als nagalm werden vernomen.
De voorbereiding van de grondwetsherziening van 1956 was voltooid toen de raad werd geïnstalleerd. Wel telde de nieuwe raad enige leden die hadden deelgenomen aan het werk van de commissies Van Schaik en Kranenburg, maar juist in de eerstgenoemde commissie was men over het onderwerp van een "algehele herziening" uitgepraat. De voornaamste effectieve activiteit van de raad ging nu bestaan in het toetsen van wetsontwerpen aan de grondwet, een doublure van het werk van de Raad van State met welke instelling dan ook prompt een competentiegeschil ontstond in het kader waarvan al voorstellen werden gedaan om de Raad voor de Constitutie op te heffen. Daaraan kon natuurlijk nog niet zo snel gevolg worden gegeven en zodoende toetste men de nieuwe Politiewet, wet op de Raad van State, Provinciewet, Bijstandswet, de wet Beroep Administratieve Beschikkingen en ga zo maar door. Het werk was, afgezien van het doublure-karakter, niet oninteressant en misschien zelfs niet irrelevant, maar op de achtergrond bleef toch de gewetensvraag over de "algehele herziening" hangen die nooit beantwoord was.


De buitenwereld

Vreselijk aardig vertelt de schrijfster over de aan paniek grenzende reacties in de raad op de verschijning van het proefschrift van J. van der Hoeven, De plaats van de grondwet in het constitutionele recht, in 1958. Sommigen lazen in het boek een rechtstreekse aanval op het werk van de raad nu dat praktisch was gereduceerd tot uitsluitend toetsing aan de formele grondwet, in het bijzonder nu de schrijver voor een geschreven grondwet nagenoeg de schouders ophaalde en daarvoor in de plaats de consensus van de politiek en sociaal toonaangevende kringen in het land stelde. Wat moest men daar nu mee aanvangen? Waar was die kenbaar opdat eraan getoetst zou kunnen worden? Was soms de consequentie van deze gedachte dat de raad een representatie van die kringen moest gaan worden? Als derde kamer of grondwetskamer, zij het dan - toch? - zonder grondwet? Of betekende het dat de grondwet overbodig was nu de bedoelde kringen immers vertegenwoordigd waren in het parlement zodat zij altijd al in staat waren te toetsen aan wat zij maar wilden, dus ook aan hun consensus, zo het parlementaire debat al niet een proeve van consensus is? Of is een constitutie toch iets dat ontheven moet zijn aan de momentele vaststelling van de consensus en dus elders vastgelegd?
Men neigde tot het laatste al begreep men dat daarmee de bestaansreden van de raad nog niet was gered. Sommige leden waren trouwens wel degelijk gecharmeerd van de manier waarop Van der Hoeven de constitutie terugbracht in de actua1iteit van het dagelijkse po1itieke proces. Men vond het een uiting van existentia1isme, een eigentijdse interpretatie van de rechtsorde en iemand merkte op dat hier metterdaad plaatsvond wat Donner in 1948 al had gevreesd: " ...wanneer de een of andere snodaard eens op de gedachte kwam om het staatsrecht volgens de "existentiële" methode te beschrijven, dan gaat er heel wat, dat nog a1tijd als het einde van alle tegenspreken wordt beschouwd tegen de grond ... " Was Van der Hoeven die snodaard? Inderdaad haalde hij het hele traditionele constitutionalisme van Locke tot de republiek van Weimar over de grond met alle daartoe behorende 1eerstukken van trias politica, grondrechten, parlementarisme, geschreven grondwet. Maar kwam hij eigen1ijk wel verder dan een kritiek op het rationalistische natuurrecht? Bij een groot aantal aan de orde geste1de onderwerpen blijken deze vragen destijds in de raad te zijn opgekomen, vaak tegen de uitdrukkelijke wil van de deelnemers zelf in die er zich blijkbaar toch niet tegen vermochten te verzetten.


Grondwetsherziening

In 1960, zo blijkt thans uit het proefschrift van Mr. van Lokeren, is er in de raad een brief aan de orde geweest van Mr. H. Th. J. F. van Maarseveen waarin deze voorstelt een nationale discussie over de grondwet te organiseren. De raad zelf zou die organisatie op zich moeten nemen en het materiaal gebruiken voor voorstellen aan de wetgever. De steller van de brief was van mening dat de doelstelling van Kortenraay in ieder geval na de val van het laatste kabinet-Drees dat immers de laatste regering van de rooms-rode coalitie was, irrëel was geworden. Niet alleen was er niet meer iets wat men met goed fatsoen nog een nationale regering had kunnen noemen, maar ook van zo iets als een nationale actie kon geen sprake meer zijn, de meerderheidsdemocratie had haar rechten herkregen. Toch moest men afkomen van het spook van de "algehele herziening" en volgens Van Maarseveen kon dat alleen door een breed opgezette nationale discussie. Binnen de raad is om het voorstel geglimlacht. Niet dat men zichzelf niet overbodig wilde maken, men vond het hele idee te onvoldragen. Hoe moest men zich zo'n discussie voorstellen? Als een referendum? Een volksstemming? Een serie petitionnementen? En waar was men aan gebonden? En wie was gebonden? En waar haalde de Raad voor de Constitutie de bevoegdheid vandaan zulk een activiteit te ontketenen? Viel dit niet meer onder het recht van enquête van de kamer? En welke verwachtingen werden er bij het volk niet allemaal gewekt die toch niet vervuld konden worden? Nee, nee, hiervan kon geen sprake zijn. De leden van de raad waren mans genoeg om te achterhalen wat er onder het volk leefde. En moest men niet juist veel meer denken aan de toonaangevende groepen van Van der Hoeven, zo werd er, niet zonder sarcasme, gevraagd. Van Maarseveen kreeg een vriendelijk briefje van drie regels.
Groot was de woede dan ook in de raad toen twee jaar later minister Toxopeus in de kamer hetzelfde voorstel verdedigde, opgesteld door een afdeling Grondwetszaken te zijnen departemente aan het hoofd waarvan dezelfde Mr. van Maarseveen stond. Voordat men in de Raad goed en wel tot een standpunt kon komen, bleek de kamer al serieus op de voorstellen van Toxopeus in te gaan en akkoord te gaan met een informeel praatgroepje van deskundigen en ambtenaren. Hier werd de raad expliciet gepasseerd! Men vergaderde, schreef brieven naar de minister, naar de kroon, er kwam een nader overleg waarin men niet meer onder het fait accompli uitkwam, drie leden van de raad namen ontslag, de zaak verdween in de doofpot. Of eigenlijk in de broedmachine. Bij de benoeming van drie nieuwe leden was men te nonchalant. De raad was een quantité-négligeable geworden, een opbergmeubel voor overbodig-verdienstelijke figuren en nu kwamen er mensen in die dat organiseren van een volksdiscussie ook niet zo erg zagen zitten, maar ook nog niet precies wisten wat er dan wel moest gebeuren. Er gebeurde trouwens al van alles zonder dat het georganiseerd werd: in Amsterdam rookten ludiek de bommen, Oranje Vrijstaat werd onafhankelijk verklaard, de kabouters provoceerden heel lief. De vraag was of zo’n belegde discussie het geëigende middel was om de vertaling van deze ontwikkelingen in constitutionele vormen op te vangen. Begreep men het al zo goed? In de raad ontstond een uitgesproken scepsis over het initiatief van de regering. Zeker, er was moeilijk iets tegen in te brengen, maar toch. De Proeve van een nieuwe grondwet van 1966 vond men een pijnlijk en ijselijk stuk. Het pijnlijke bestond nu juist hierin dat er rationeel zo weinig tegen in te brengen viel. Natuurlijk was de grondwet te lang en te omslachtig en gedateerd. De Proeve wás ook wel een briljant stuk, maar misschien zat het juist in het laatste. Was zij wel levensecht?
Moest de discussie aan de hand hiervan plaatsvinden? Waarom niet een aantal vraagpunten geformuleerd over onderwerpen van samenlevingsorganisatie in termen waarin de gewone man die besprak? Over het koningschap en het parlement, over de gemeenten, het bedrijfsleven, of men overheidsinmenging wilde en in hoeverre, of men socialisatie wilde en in welke vorm, in welke mate men sociale voorzieningen nodig vond, hoever men moest gaan met nationalisatie e.d.
Deze negatieve houding in de raad bewerkstelligde dat men in 1967 inderdaad niet de raad belastte met de inventarisatie en verwerking van de resultaten van de opgezette discussie, maar een speciaal daartoe ingestelde commissie, nl. de staatscommissie Cals-Donner. Dat had men natuurlijk wel zien aankomen, maar niettemin stapten weer twee leden op. Bij de benoeming van de twee nieuwe leden - die moest gebeuren uit een voordracht uit de raad - ging men zelfs over tot doelbewuste politiek: men zocht naar tegenstanders van de hele aanpak. Dit nu lekte uit en Den Haag begon de benoemingen te traineren. Men moet zich overigens nu ook weer niet voorstellen dat de raad uitgroeide tot een revolutionair bolwerk; men had zo zijn twijfels en stak die niet onder stoelen of banken. Enkele leden begonnen in de loskomende publieke discussie over de grondwetsherziening zelfs positieve elementen te onderkennen, maar in het algemeen bleef men toch sceptisch. De druk van de regering in de op te maken voordrachten verwarde de gemoederen aanzienlijk. Bij sommigen maakte de oorspronkelijke gepiqueerdheid plaats voor een positieve opstelling.
Toch was er nog een grote bereidheid tot opname van alternatieve elementen. Men was nu eenmaal begonnen met de inventarisatie van bezwaren tegen de vorm die de regering had gekozen, en had zich verregaand gewend aan een denktrant die meer was ingesteld op de maatschappelijke entourage dan op het technische gebeuren van de publieke discussie zelf. In deze situatie werd in 1968 plotseling door de studentenagitatie in Nijmegen een candidaat voorgesteld voor een van de twee nog openstaande vacatures. Dit was Mr. Laurensz, sinds kort lector in de rechtsfilosofie aan de KU, een man van voor in de dertig met vrij uitgesproken, bijna revolutionaire denkbeelden.


Maatschappijkritiek

Het is buitengewoon moeilijk en delicaat over zijn persoon te schrijven nu hij, zoals bekend, op de dag van de opheffing van de raad, dus op 16 juli 1975, op het strand van het Ile d'Oléron, zelfmoord heeft gepleegd. Er zijn in de rede van H.M. de Koningin, evenals in het antwoord daarop van Mr. Prins enige woorden gewijd aan de overledene, maar niemand bleek iets van hem af te weten, hij was de gêne van de hele affaire. lk heb mij destijds lafhartig gedrukt van het schrijven van een tekst, omdat ik Mr. Laurensz niet mocht. Er was natuurlijk geen verband tussen de zelfmoord en de opheffing van de raad in die zin dat Laurensz haar zo sterk betreurde dat hij tot deze daad overging of dat hij meende niet buiten de raad te kunnen. Dat zou allemaal onzin zijn. Maar ik kan mij wel voorstellen dat Laurensz het moment van zijn daad doelbewust heeft gekozen, terwijl zij overigens moet worden geweten aan andere oorzaken dan het failliet van de raad. Welk verband Laurensz dan toch heeft menen te moeten leggen is moeilijk te zeggen, maar kan enigszins worden afgeleid uit nagelaten papieren, publicaties zowel als dagboekaantekeningen. Van Lokeren heeft in haar proefschrift hieraan geen aandacht geschonken; zij heeft zich bepaald tot het plaatsen van een kruis achter de naam van Laurensz in de lijst van de laatste leden van de raad en tot het toekennen aan zijn toetreding tot de raad van de objectieve betekenis die deze in haar visie had. En deze visie werd in hoge mate bepaald door haar persoonlijke verhouding tot Laurensz die haar een grote afstandelijkheid oplegde, alsmede door de praktisch volledige mislukking van Laurensz in de raad: hij is er nagenoeg genegeerd.
Laurensz was een exponent van de maatschappijkritische richting die in het staatsrecht in Nederland niet is gerecipieerd. Deze richting zag weinig heil in de aanpak van de regering en de staatscommissie Cals-Donner die voor reformistisch werd gehouden, terwijl nu juist een revolutionaire atmosfeer was ontstaan waarin fundamentele omwentelingen mogelijk waren geworden; een reprise van 1918 of zo. Het is niet onwaarschijnlijk dat Laurensz zelf de gedachte heeft geïntroduceerd om de beweging te richten op een concreet agendapunt. Later is hem dat opgebroken, maar voor het moment slaagde hij in zijn opzet. Ook in de Raad voor de Constitutie begreep men snel de mogelijkheid van politieke winst en men verbond zich met de zaak van de studenten. Laurensz werd voorgedragen en in opvallend snel tempo benoemd. Dat laatste kon waarschijnlijk plaatsvinden omdat van regeringszijde ook een candidaat naar voren werd geschoven, nl. Dr. Pietse uit Utrecht die daar juist door de studentenbeweging aan de kaak werd gesteld wegens reactionaire opmerkingsn tijdens colleges. Een ongelofelijk slim en cynisch beleid dat door Van Lokeren natuurlijk niet in deze termen wordt beschreven; in feite noemt zij de benoeming van Pietse in het geheel niet, maar alleen die van Laurensz met een beschrijving van de context waaruit hij naar voren trad, een episode in de geschiedenis van de raad, niet meer.
Met het daadwerkelijke optreden van Laurensz in de raad kwam trouwens een einde aan de maatschappijgerichtheid die in de voorafgaande jaren was gegroeid. Men had daar toch een andere voorstelling van gehad dan wat Laurensz te berde bracht; dat was puur revolutionair marxisme. Had men voor die tijd de mond vol over maatschappelijke relevantie, recht of staat en samenleving, sociale motivering van de constitutie e.d., plotseling was dat afgelopen, de raad keerde terug tot haar formele toetsingsarbeid. Een tweede "populistische" periode, na die van de ideeën van Kortenraay van het begin, was voorbij.

De opheffing

Daarmee is de geschiedenis van de raad praktisch afgelopen. Het uitgebrachte advies over het verdere verloop van de grondwetsherziening was een slaafse adhesiebetuiging aan het sowieso gevolgde beleid. Enig belang heeft nog gehad een Nota over de herziening van de Gemeentewet waarin is aangedrongen op bepalingen over de ambtelijke organisatie van de gemeenten met het oog op de uitvoering van grote projecten. Hoewel Van Lokeren daarover niets vermeldt, wordt echter aangenomen dat deze passages feitelijk zijn gedicteerd door Mr. P. van Dijke, secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, die in de tijd dat hij gemeente-secretaris in Utrecht was waar Hoog-Catharijne werd gerealiseerd, verzot was geraakt op aan het particuliere kapitalistische bedrijfsleven ontleende ideeën over management. De raad heeft deze ideeën verder opgesierd met literatuur en een historisch overzicht van de opkomst van de managementleer en dito praktijk, men mompelde wat over het "défi americain", legde heel intelligente verbanden met de figuur van de programcolleges, greep nog eens terug op Karl Mannheim, verwees naar de opgang makende welvaartstheorie, kortom, begaf zich in een vaarwater waarin de concurrentie met de rijzende Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid almaar duidelijker in het oog sprong.
In haar laatste hoofdstuk dat gaat over de opheffing, gaat Van Lokeren nog eens uitgebreid in op de relaties tussen de raad en andere hoge colleges van staat, zoals de Raad van State, de Staten-Generaal, de SER, de WRR, de Hoge Raad en hierin spreidt zij een behoorlijke vakbewaamheid ten toon, maar toch lukt het haar m.i. ook hier niet een boven de traditie uitkomende kritische positie te betrekken; in feite herhaalt zij de stelling die zij bij de behandeling van de oprichting van de raad heeft geponeerd: deze instelling was niet echt nodig, gegeven de reeds bestaande lichamen. Aan deze uitspraak ligt echter geen waarlijke theorie over de ontwikkeling van staatsorganen ten grondslag, maar een louter praktische toets aan het bestaande arsenaal, als het ware met het timmermansoog. Toch is deze theorievorming de grote kans van een dissertatie-onderwerp als dit. Ik neem aan dat Van Lokeren de aangewezen plaats ervoor zag in het nadere onderzoek waarvoor zij aan het eind van haar boek het program opstelt, maar kan toch niet nalaten kritiek te oefenen op de eenzijdigheid van dat standpunt nu zij eigenlijk alleen maar een studie van ideologieën en hun mogelijke realisaties voorstaat en met geen woord rept over de ontwikkeling van de realiteit waarvan ideologieën zowel als rechtsinstellingen reflexen zijn. Het zij zo.


Mr. Jan Laurensz

Mag ik hiermee de eigenlijke bespreking van het proefschrift van Van Lokeren als geëindigd beschouwen, graag wil ik nog enige opmerkingen maken over de persoon van Mr. Laurensz, min of meer buiten de orde dus. Wat ik over hem hiervóór heb gezegd, is niet helemaal af; het was ook niet de plaats om over hem uit te weiden. Wat ik na zijn dood te weten ben gekomen, laat zich als volgt samenvatten.
Mr. Johannus Maria Franciscus Xaverius Laurensz is geboren op 16 juli 1935 - hij pleegde zelfmoord op zijn veertigste verjaardag - in Obbicht, Limburg, op één na de gemeente waar de NSB het hoogste aantal stemmen haalde en ook in het jaar waarin de NSB haar electorale hoogtepunt kende. Jan Laurensz heeft zijn vader nooit gevraagd wat hij in dat jaar had gestemd en ook overigens blijken alleen uit zijn sinds 1960 bijgehouden dagboek sporen van de grote worsteling met een verleden dat Laurensz zelf - voor zich - geneigd was fascistisch te noemen. Uiteraard was hij te jong geweest om lid te worden van welke politieke organisatie dan ook voordat alles voorbij was, maar hij voelde zich zo doordrenkt van de sfeer waarin de stap naar het fascisme de kleinst mogelijke was, dat hij er zich tijdens regressies telkens van beschuldigde die stap te hebben gedaan als hij zou hebben behoord tot een wat oudere generatie. Hij meende dat hij dan zou hebben behoord tot een intelligentsia die daadwerkelijk voor het fascisme heeft gekozen en dat beschouwde hij als zijn erfzonde, zijn zwarte verleden. Tot ver in de zestiger jaren wist hij eigenlijk geen andere houding aan te nemen dan die van een meer literaire dan politieke non-conformist en toen hij tenslotte kennis maakte met het frankfurter marxisme, bleef hij trouw aan zijn individualistische innerlijke reserve; zijn geliefkoosde literatuur bleef Slauerhoff en Hemingway. De groep studenten waarin hij - als praktisch enige lid van de wetenschappelijke staf en ook in oppositie tegen deze staf - terecht kwam, had tijd noch oog voor dit soort details en men beschouwde hem - uiteraard zonder zo iets als een antecedentenonderzoek, want men was zelf liefst zonder voorgeschiedenis - als overtuigd marxist en activist, nu hij op de hoogte bleek van literatuur. Hij zelf schuwde de deelname aan gesprekken over de strategie allerminst en gaf zelfs hier en daar adviezen waarvan er een aantal tot zijn niet geringe, op zijn eigen maatschappelijke isolement gebaseerde verbazing werden opgevolgd wat hem zo'n beetje tot een leider maakte. Onder anderen wist hij een aantal mensen ervan te overtuigen dat theorievorming over de maatschappij heel mooi en onmisbaar is, maar dat actie nog iets anders is en in ieder geval moet uitgaan van een gespecificeerd objectief: de verwijdering of benoeming van een persoon, de oprichting van een bureau, krant, instelling, partij of wat ook, als het maar iets concreets is. Nergens blijkt via welke kanalen hij op de hoogte was van de situatie in de Raad voor de Constitutie, maar het is praktisch uitgesloten dat iemand anders in die omgeving in staat was de theorie zo te verbinden met de praktijk als nu gebeurde: men wilde de raad ombouwen tot een maatschappijkritische instelling, een bolwerk tegen regering, parlement en staatscommissie, kortom tegen het establishment en begon een actie om Laurensz te laten benoemen in een van de twee opengevallen plaatsen. Laurensz voelde zich daarin ongelofelijk gestreeld; hij had een dergelijke adhesie zeer nodig. En, hoewel hij de grondslag van dit alles, gevormd door zijn ideologische standpunt, zelf zeer wankel vond, liet hij zich de coiffering welgevallen.
Nauwelijks echter was de benoeming afgekomen of de groep aanhangers viel uiteen en men keerde zich tegen Laurensz, dat wilde volgens het jargon zeggen, men emancipeerde zich van hem en, zoals dat bij openbrekende oedipuscomplexen gaat, trachtte hem zo'n beetje te doden. De ruzies liepen zo hoog op dat het metterdaad bijna tot handtastelijkheden kwam en men beschuldigde Laurensz ervan de studentenactie te bebben misbruikt voor zijn eigen doeleinden, de opbouw van zijn carri re. Dat maakte hem in de raad zonder achterban, echter niet dan nadat hij door zijn collegaleden nog snel was bestempeld tot wat hij tot zijn dood voor hen zou blijven: een dogmatische marxistische dwarsdrijver.
Al met al bracht dit het ene isolement na het andere en ook in zijn persoonlijke leven wist hij niet aan het debâcle te ontkomen. In 1972 ging hij weg bij zijn vrouw en twee kinderen, vermoedelijk meegesleurd in de algemene echtscheidingsgolf, hoewel het niet tot een formele scheiding kwam. Weliswaar moet in die tijd de relatie met Van Lokeren zijn gegroeid, die haar verhinderde in haar proefschrift iets persoonlijks over Laurensz te schrijven, maar deze verhouding is waarschijnlijk ook nimmer zo diep geweest dat daarin een einde kon komen aan zijn meest fundamentele probleem. In de tijd dat de voorzitter van de raad, Mr. Prins, met de hem eigen bijziendheid voor dit soort dingen, de relatie ontdekte, was zij waarschijnlijk al over haar hoogtepunt heen. Laurensz was toen al begonnen in zijn vakanties alleen te gaan kamperen en in 1975 was hij liftend aangeland op het Ile d'Oléron. Geen enkele van zijn aantekeningen wijst op het voornemen tot zelfmoord. Vermoedelijk is Laurensz in een regressie terechtgekomen waarin hij eigenlijk niets meer zag zitten, heeft hij zich plotseling gerealiseerd dat het niet alleen zijn verjaardag, maar ook de dag van de officiële opheffing van de raad was en heeft zijn aanleg voor dramatiek en improvisatie beide hem parten gespeeld. In ieder geval zag men hem met een grote steen om zijn nek vlak vóór het rotsplateau drijven dat met eb droogvalt en waarop en waarin de verzadigde kampeerders fruits de mer verzamelen. Blijkens het register van de camping was hij al een dag of zeven ter plaatse. Hij had bijna geen bezittingen bij zich en zelfs dat beetje wist men aanvankelijk niet eens terug te sturen bij gebreke van een adres; de spullen hebben weken bij de politie gelegen.
Utrecht, 1978.

Geen opmerkingen: