maandag 5 september 2011

Nederlandse schrijvers in China

Nederlandse schrijvers gooien Amnesty-speldje weg! Geweldig. Toch? Eigenlijk merkwaardig. Hoe kwamen zij daaraan? Van Amnesty International natuurlijk. Maar waarom hebben zij het speldje aangenomen? Dat was toch hun eigen vrije keuze? Nou, zij wisten nog niet dat deze organisatie er een ideologie op na houdt anders hadden zij nooit ook maar iets van ze aangenomen. Zo moet het wel geweest zijn. Amnesty International begrijpt natuurlijk niet dat onze Nederlandse schrijvers "open" zijn, de dialoog aangaan en anders niet. Tistochwat met zo'n club. En zij maar misstanden aan de kaak stellen. Maar gelukkig niet over de rug van de Nederlandse literatuur, die blijft "vrij en onverveerd".
Voor alle duidelijkheid: welke idioot neemt er nu zo'n speldje aan als hij er niet mee wil rondlopen?

maandag 29 augustus 2011

Andrew J. Bacevich: Slow Learner 5

Ik was nog niet klaar met Andrew J. Bacevich. Ik had “The Limits of Power” (2004) nog niet besproken. De titel suggereert de behandeling van een algemeen probleem: de grenzen van de macht. Bacevich echter behandelt in dit boek alleen maar de Amerikaanse macht en als “de grenzen” daarvan een drietal crises, namelijk van de consumptiemaatschappij, de politiek en de militaire leiding. De politiek en de militaire leiding zijn duidelijk herkenbare instellingen, de maatschappij niet. Dit laatste onderdeel doet dan ook sterk moralistisch aan: de Amerikanen geven hun overvloedige geld uit aan consumptiegoederen en verwaarlozen “onze soldaten”. De politiek (vooral van George W. Bush) verliest de realiteit uit het oog en overschat de capaciteiten van Amerika. De militaire leiding begaat de ene blunder na de andere.
Aan de tekortkomingen van de politiek en de “military” kan wel wat worden gedaan: kies een betere president en ontsla een reeks incompetente generaals. De maatschappij daarentegen is minder gemakkelijk te veranderen, als dat al nodig zou zijn.
Om met het laatste te beginnen, als de Amerikanen er de voorkeur aan geven hun geld te besteden aan leuke dingen in plaats van aan militaire, dan zou dat ook als uitgangspunt kunnen worden genomen bij de besluiten om oorlogen te voeren, niet omdat er dan te weinig geld en soldaten ter beschikking komen, maar omdat “het volk” er geen trek in heeft. Degene die vindt dat dit een crisis is identificeert zich kennelijk niet met dat volk wat op zijn zachtst gezegd bedenkelijk is.
Kritiek op de politiek en de “military” is heel heilzaam. Bacevich is van mening dat zij hindernissen opwerpen voor de “macht”. Wat is die echter anders dan de politiek, zich overigens niet alleen materialiserende in militaire actie, maar ook in diplomatieke. Bacevich doet net alsof er een “power” bestaat buiten de politiek. Hij denkt waarschijnlijk aan het gigantische materieel dat een afdeling van defensie verzameld heeft of zich door wapenfabrikanten heeft laten aansmeren. Dat is voor hem de macht. De drie “limits” zijn maatschappelijke, politieke en militaire onmacht. Men zou de titel van zijn boek dus moeten vertalen met “De onmacht van de macht” wat uiteraard onzin is.
Dat is het boek dan ook. Het ware beter geweest als hij een boek had geschreven getiteld “The structure of power”, waarin hij had kunnen laten zien dat macht het resultaat van velerlei factoren is, o.a. het militaire materieel, maar dat politieke bekwaamheid, militaire competentie, voldoende bemanning, voldoende geld, maatschappelijk draagvlak, diplomatieke mogelijkheden ook factoren zijn die mede bepalen hoeveel macht een land heeft. Nu is het net of de ex-militair Bacevich het betreurt dat zijn land zoveel mooie apparatuur heeft, maar dat “men” dat helaas niet ziet en er geen gebruik van maakt. Een misplaatste lamentatie dus.
Hij slaat trouwens nog een belangrijke “limit” over: de juridische grenzen die aan het gebruik van geweld gesteld zijn. Dit is zelfs veel meer een “echte” grens, in ieder geval meer structureel dan de drie behandelde crises. De juridische begrenzing van de macht is geen crisis, maar een rechtsregel. Misschien wordt het tijd dat hij daar eens over nadenkt.

dinsdag 9 augustus 2011

Amerika "in decline"

Naar aanleiding van Best of TomDispatch: Chalmers Johnson, Dismantling the Empire | TomDispatch. Genoeg mensen zagen het al aankomen. Al in 1988 betoogde Paul Kennedy in zijn beroemde boek "The Rise and Fall of the Great Powers" dat de Amerikanen het risico liepen om hun capaciteit te overschatten en dat hun "empire" al "in decline" was. Het leidde in de VS tot grote woede, vergelijkbaar met die over de downgrading van Standard & Poor. Een hegemonie op wereldschaal is het grootst denkbare historische risico. Zij verlamt alle alternatieven om de grote historische gevaren het hoofd te bieden. Een van de auteurs die duidelijk zag aankomen dat Amerika op het hellende vlak zat was Chalmers Johnson. Hij schreef er een aantal boeken over. Hij overleed in november 2010. Zijn boek over de ontmanteling van Amerika als rijk was een bestseller, een "best of TomDispatch".

woensdag 27 juli 2011

Geschiedenis van de roman

Net dit boek ontvangen. Waarom heb ik het besteld? Ik was bezig met de stellingen van Pierre Daniel Huet over de oorsprongen van de roman. Hij wijst die aan in het Midden Oosten, bij de Arabieren, Egyptenaren, Joden, Syriërs, Perzen en Indiërs. Die volken fantaseerden er volgens hem maar op los. Via Anatolië hebben zij de Grieken beïnvloed die hun verhaaltjes zijn gaan overnemen. In waarheid, voegt hij eraan toe, vertaalden en bewerkten de Perzen, de Indiërs en de Arabieren de "Fabels van Aesopus" die ze dan toeschreven aan anderen dan Aesopus. Een van die bewerkingen is de Arabische die de "Fabels van Bidpay" of "Kalila wa Dimna"
wordt genoemd, naar een tweetal heel wijze jakhalzen die elkaar dit soort dierenfabels vertellen. Het zijn altijd korte verhaaltjes die zich a fspelen tussen dieren, zoals La Fontaine ze in zijn "Fables" heeft verteld, waarvan hij er trouwens ook een deel aan deze "Fabels van Aesopus" heeft ontleend. De wijsheid zit in de les die men kan trekken uit het vertelde. Imme Dros heeft dit heel aardig samengevat op de achterkant van het boek.
Posted by Picasa
Huet vertelt nog veel meer over de oorsprong van de roman, het hele vertoog van hem heb ik vertaald en hier gepubliceerd. Huet leefde in de 17e en het begin van de 18e eeuw. Hij was de eerste die zo'n geschiedenis schreef. Tegenwoordig denkt men anders over het begin van de romanschrijverij. Een - ook - Franse schrijver als Pierre Grimal wijst erop dat er al bij Homerus en Herodotus romanachtige verhalen voorkomen en dat het Griekse theater veel heeft bijgedragen aan de vorming van romanpersonages. De eerste "echte" romans zijn van het begin van de jaartelling; ze zijn geschreven in het Grieks en het Latijn en, op een na, allemaal vertaald in het Nederlands. "Dafnis en Chloë" is er een van en misschien wel de bekendste.

maandag 13 juni 2011

Ton Lenssen



Aan het werk.
De meeste mensen denken dat ik, omdat ik gepensioneerd ben, niet meer werk. Ik heb inderdaad geen baan meer, maar ik werk wel. En niet zo weinig. Het is niet zo dat ik "mijn literatuur bijhoud", dus mij op de hoogte blijf houden van wat er op het vakgebied verschijnt. Dat doe ik ook wel, maar niet systematisch. Toen ik mijn betrekking opgaf was ik van plan schrijver te worden, literair schrijver. Vakschrijver was ik allang. Ik heb inmiddels twee romans geschreven en een paar novellen, maar die zijn niet gepubliceerd. Ik wil ook niet publiceren. Je ligt dan veel te veel vast en krijgt allerlei ongewenst publiek over je heen, terwijl er van het schrijven niks meer terecht komt. Je moet namelijk ook ontzettend veel lezen. Dus daar gaat mijn tijd mee heen. Op het ogenblik lees ik "Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan..." van Louis Couperus weer eens. Een beetje een draak, maar in het algemeen genomen een meesterwerk. Ik weet zelf niet meer hoe vaak ik het gelezen heb. Van hem heb ik geleerd dat je van romans gelukkig wordt.
En dan lees ik voor mijn "global novel". Pas nog "Point Omega" van Don DeLillo. Een mooi boek waar ik vooralsnog weinig van begrijp. Dat kan, hoor.
Ik lees natuurlijk van alles door elkaar, zo ben ik nu eenmaal. Een aantal jaren geleden heb ik een lijst van romans opgesteld en het plan opgevat om alle boeken daarvan te lezen. Zij vertegenwoordigen de geschiedenis van de roman, de Westerse. De lijst staat hier voor wie er belangstelling voor heeft. Ik schiet aardig op, maar sommige mensen hebben onleesbare pillen geproduceerd. Ik heb twee algemene leiddraden voor die geschiedenis: "La pensée du roman" van Thomas Pavel en "The True Story of the Novel" van M.A. Doody. Verder heb ikzelf een Inleiding in de geschiedenis van de roman" geschreven met de genoemde literatuurlijst. Ik ben dus al een klein baasje op dit - gelukkig grenzenloze - gebied.
Enfin, wie wil weten wat ik nog meer doe moet dit blog en mijn websites maar eens uitpluizen.

zaterdag 26 maart 2011

De wereld en ik 11

Terwijl ik bezig was de president van de Verenigde Staten van Noord-Amerika de les te lezen, bekroop mij stilaan de gedachte dat het er helemaal niet toe doet wat de man gestudeerd heeft. Reagan deed het ook best. (Dit laat ik niet gelden voor Palin.) Ik wilde daar natuurlijk een blog aan wijden, maar ineens begon er van alles te gebeuren waar geen mens op had gerekend. Net zoals indertijd de Val van de Muur. Welk voordeel de opgenoemde president nu heeft van de vorming die hem, volgens Kloppenberg, een geheide volger van de Amerikaanse buitenlandse traditie heeft gemaakt, kan ik niet beoordelen, want het lijkt erop dat die traditie zelf momenteel meer ter discussie staat dan men tot voor een paar maanden voor mogelijk had gehouden. Wat was alles toch nog eenvoudig? Amerika was de hegemoon en dat was het dan. Voor sommigen was al wel duidelijk dat een hegemoon niet een alleskunner is. Hij kan bij voorbeeld met al zijn "overwhelming power" niet eens een handvol zwervende krijgers in Afghanistan aan. Hij kan zelfs geen vaste en duidelijke politieke lijn vinden in zijn buitenlands beleid. ("Buitenlands" beleid? Een mooie term voor het beheer van de hegemoniale invloedssfeer.) Terwijl de hegemoon decennia lang de moslimwereld met zetbazen heeft geregeerd openbaart zich nu ineens een zelfstandigheid van denken en willen waaraan men ten burele van genoemde hegemoon niet heeft gedacht. Men is daar wel op de hoogte! En dat terwijl ieder telefoongesprek, iedere email, ieder blog, ieder facebook, hyves en wat dies meer zij geregistreerd wordt in de databestanden van de CIA. De Amerikaanse buitenlandtraditie blijkt net zo'n vernisachtige, abstracte, anonieme en onrelevante machine te zijn als de kassa's van Albert Hein. (De enige vraag daar waar je antwoord op kunt verwachten luidt: "wat zeggu?". En dan nog.) Tot enige concreetheid is zulks niet in staat. Wat moest ik daarover schrijven wat niet iedereen duidelijk zelf kon waarnemen?
Voeg hierbij dat ik weer een aanval van jicht te verduren heb gekregen en men begrijpt dat ik even niet heb kunnen bloggen. Hiermee gaat het inmiddels beter dan met het Amerikaanse buitenlandbeleid. Gelet op wat er nog buiten Egypte, Tunesië en Libië in de "Arabische" wereld plaats grijpt, moet de fundamentele wijziging van dat beleid nog beginnen. Er staat ons dus nog veel leuks te wachten.

dinsdag 11 januari 2011

Afghanistan of Haïti?

Eerst waren het er 350, nu al zo'n 550 en niemand heeft ook maar enige garantie dat het er niet nog meer worden. En of zij enig succes zullen hebben. Er moeten goed opgeleide politie-agenten zijn op het moment dat de oorlog voorbij is, schrijft een deskundige in NRC-Handelsblad. Wanneer is dat? Tegen die tijd zijn de goed opgeleide agenten al met pensioen.
Maar vooral, waarvandaan die fixatie op Afghanistan? Een paar jaar geleden wisten wij niet eens waar het ligt. Dankzij de niet aflatende propaganda van de Verenigde Staten en de NAVO weten wij het nu. Wij weten ook wat het probleem is: politieke onwil. En een land als de Verenigde Staten die met - letterlijk - alle geweld die mensen daar iets willen opdringen waar zij helemaal niet voor voelen en wat zij niet aankunnen. En "wij", Nederland, bouwen hier en daar iets, een moskee of een brug of een stuk weg, en doen daar "goed werk". En wat nog veel mooier is, wij zijn er erg geliefd. Dat overkomt ons inderdaad maar zelden.
En wij zijn niet alleen dáár geliefd, maar ook nog eens in Washington en bij de NAVO. Dat is ook van groot belang want daar ligt de toekomst van onze politici, daar liggen de mooie internationale banen, daar is het circuit waar je je regelmatig moet laten zien en waar je aan moet bijdragen. Niet "wij", maar onze politici. Want waar moeten zij, ocharme, naar toe als zij hier de top hebben bereikt, op een leeftijd dat zij - voor hun eigen gevoel - nog niet zijn uitgeteld? Iedereen weet toch dat dit land veel te klein is voor mensen met de allure die wij dagelijks aanschouwen. Enige andere reden voor de fixatie op Afghanistan kan ik niet bedenken.
En dan, een Amerikaanse soldaat in Afghanistan kost per jaar een miljoen dollar. Wat kosten onze soldaten? Tel maar uit, 550 maal een miljoen, per jaar. Dat is een half miljard, beste collega belastingbetalers, beste producenten van cultuur, beste zorgverleners, enz.
Alsof er geen problemen in de wereld zijn waar "wij" ons veel verdienstelijker zouden kunnen maken. Neem eens Haïti. Een jaar geleden een ramp, vandaag nog geen begin gemaakt met de reconstructie. De mensen huizen nog in tenten in plaats van fatsoenlijke noodvoorzieningen, allerwegen heerst de cholera, moord en verkrachting zijn aan de orde van de dag. Zo'n aardbeving is geen politieke onwil. Als wij een overdaad aan zulke goeie politietrainers hebben, dan kunnen ze daar terecht, lijkt mij. (Wij hebben natuurlijk helemaal geen overdaad en ware dat wel zo, dan zouden zij ingezet kunnen worden voor de training van onze eigen agenten, die ook niet zo fameus functioneren. Misschien dat die overdadige trainers iets zouden kunnen doen aan de papierwinkel die onze politie, naar eigen zeggen, belet om het goed te doen.) En wat Haïti betreft, ik lees dat de reconstructie niet van de grond komt door de corruptie. Klinkt dat niet bekend? Is dat niet precies wat de reconstructie van Afghanistan, die overigens meer een constructie is, in de weg staat? Als de VS eens meer naar hun eigen achtertuin keken zouden zij zich geroepen kunnen voelen om in Haïti de orde te herstellen. Of in Mexico of Bolivia. Daar kan men hun belang nog wel begrijpen.

vrijdag 7 januari 2011

De wereld en ik 10

Wat ik het meest betreur aan deze intellectuele geschiedenis van Obama dat is de volstrekte afwezigheid van het volkenrecht. En als ik schrijf “volstrekte” dan bedoel ik ook dat ik geen enkele aanwijzing heb voor een volkenrechtelijke vorming van de president van het land dat zich “worldleader” noemt.
Wat is het volkenrecht? In de tijd dat ik in het vak tentamen deed was dat nog mondeling. Mijn examinator was een vriendelijke man die mij duidelijk op mijn gemak wilde stellen.
“Ik begin met een heel eenvoudige vraag,” zei hij. “Met welke twee woorden zou u het volkenrecht kunnen definiëren?”
Hij keek mij heel blijmoedig aan in de vaste overtuiging dat ik het antwoord in mijn mouw had zitten. Wat ik daar in de gauwigheid aantrof was een immens veelvoud van enkelvoudige onderwerpen: rechtssubjecten, verdragen, diplomatie, Verenigde Naties, - was dat wat hij bedoelde? - , codificatie, interventie, consuls, staten, direct werkende regels, mensenrechten, vreemdelingen, oorlog, zeerecht en zo voorts. Stonden de twee gevraagde woorden daarbij? Had ik ze ergens gelezen?
“U weet het wel,” moedigde mijn examinator mij aan, “u moet er alleen opkomen.”
Wist ik het wel? Ik moest het dus gelezen hebben. Of moest ik nu een procédé volgen waarmee ik erop kon komen? Aha, wacht even.
“Oorlog en vrede?” bracht ik uit, terwijl ik een druppel zweet in de kraag van mijn gehuurde jacquet voelde lopen.
“U bent eigenlijk al geslaagd,” zei mijn beul opgeruimd. “De rest is een kwestie van details.”
Ik was natuurlijk volledig van de kaart, vond het een gemene streek van de vriendelijk ogende man. Voordat ik daaraan echter kon toegeven kwam hij alweer met de volgende vraag. Hoe het verder ging herinner ik mij niet, behalve de manier waarop ik op antwoorden kwam en het slot. Ik had het gevoel dat iedere vraag zo’n zelfde inspanning van mij gevraagd had als die om op zijn twee woorden te komen. Iedere keer moest ik mij het systeem te binnen brengen dat hij voor ogen had en dat inderdaad logisch voortvloeide uit die woorden, maar dat ik nergens zo had gelezen.
In feite had ik het ook geweten, zoals hij zei, al dacht ikzelf dat het antwoord te infantiel, in ieder geval niet wetenschappelijk was.
“Ik ga normaal niet verder dan een 8,” zei hij op het einde, “maar ik vond u zo goed dat ik een 9 geef.”
“Maar u heeft nauwelijks de stof gevraagd die ik moest leren.”
“Dat klopt in zekere zin, maar ik heb u gevraagd zelfstandig te denken en te redeneren.”
Mijn cijfer was binnen, dus ik veroorloofde mij op te merken dat ik de vraag naar de twee woorden kinderachtig vond. Wij raakten daarover in een debat dat ik ook niet zal herhalen, maar zijn opvatting kwam erop neer dat het er in de wetenschap vaak om gaat moeilijke dingen eenvoudig te zeggen en dat zulks pas kan als je vertrouwd bent met de materie en scherp kunt redeneren.
“Oorlog en vrede”, dat is het dus. Landen die betrekkingen met elkaar hebben, kunnen met elkaar in vrede of in oorlog zijn. In vrede onderhouden zij diplomatieke betrekkingen en sluiten zij verdragen. In tijden van oorlog geldt het recht om oorlog te voeren en het recht dat het gedrag in de oorlog regelt. In de ene toestand werken de diplomaten, in de andere de militairen. Oorlog moet natuurlijk zoveel mogelijk vermeden worden, meningsverschillen en conflicten moeten zoveel mogelijk diplomatiek worden geregeld. Landen zijn, kort samengevat, in hun contacten met elkaar ook aan het recht gebonden, zelfs in tijden van oorlog, in beginsel net zoals burgers jegens elkaar aan recht zijn gebonden, ook in tijden van conflict.
Toen ik dat tentamen deed, in het begin van de 60er jaren van de vorige eeuw, dacht men nog grotendeels zo over het volkenrecht. Het was een recht dat de betrekkingen tussen staten regelt. Het was ook het recht van een rechtsorde aan de spits waarvan de Verenigde Naties stonden. Maar het was ook de tijd van de Koude Oorlog en van de twee de hele wereld beheersende mogendheden, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten van Amerika, was de eerste degene die deze mooie constructie telkens saboteerde, niet de Amerikanen. Dat leidde ertoe dat deze rechtsorde toch maar moeizaam functioneerde. Hoewel er wel overleg was tussen - meestal - Russen, Amerikanen en Chinezen, zag het publiek meer dat belangrijke dingen in de Veiligheidsraad door de Sovjets en/of de Chinezen vaak werden geblokkeerd. Als jurist had ik daar niets mee te maken. Internationale rechterlijke organisaties bekommerden zich er ook niet om, oordeelden naar zogenaamd positief recht, ook al hield geen van de Machtigen er zich aan of aan de rechterlijke uitspraken.
Ik had de vervelende eigenschap dat ik mij niet tot dit juridische kon beperken. Ik las veel over de internationale betrekkingen, in boeken als die van de bovengenoemde Creijghton en Vlekke, en vroeg mij af in welke verhouding het volkenrecht stond tot de feitelijke toestanden. In het bijzonder zocht ik naar argumenten om aan te tonen dat de Amerikanen in een hegemonische positie verkeerden. Dat leek niet het geval, de Sovjets leken even sterk, maar ik geloofde dat niet. De Verenigde Staten hadden hen bij de bestrijding van de Duitse nazi’s moeten steunen. Dus. Verder vond ik het ook maar vreemd dat men achter het Ijzeren Gordijn geen consumptie-artikelen kon krijgen in vergelijking met de mate en de kwaliteit die ze in het Westen hadden. En dat men daar geen noemenswaard inkomen had. Daar moest revolutie van komen. Teveel geld werd uitgegeven aan oorlogstuig, geld dat onthouden werd aan de bevolking wat tot ontevredenheid moest leiden. Ik kende uit eigen ervaring de situatie van de Wederopbouw toen bezuinigd werd op de ambtenarensalarissen - het zogenaamde loonkonijn - die jarenlang bevroren werden zodat ze tenslotte meer dan 30 procent achter lagen op het bedrijfsleven. De effecten van zulke eenzijdige politiek kende ik van huis uit. Ik had in mijn opvattingen weinig tot geen medestanders, maar ik kon niets anders bedenken en tenslotte, op het einde van de 80er jaren, kreeg ik gelijk: de Sovjet-Unie was uitgehold en implodeerde. En nu, was de vraag. Nu, dat was: wat gingen de Amerikanen doen die een “overwhelming” oorlogspotentieel hadden, maar geen vijand. Ik was ervan overtuigd dat zij wel een nieuwe zouden vinden, desnoods maken. En het volkenrecht? Ik had er niet veel fiducie in. Wat zouden de Amerikanen doen? De president proclameerde een nieuwe wereldorde en een nieuw “worldleadership”. De hele wereld was volgens de Amerikaanse filosoof Fukuyama liberaal-democratisch geworden, op een paar kleinigheden, zoals China en Rusland na, en de Chinezen waren economisch al aan het democratiseren. Minder positief was Paul Kennedy die sprak van de “decline” van Amerika. He, wat “decline”? Ja, hoor, neergang. Heel Amerika viel over hem heen. De man wist natuurlijk niets van de “American Dream”. Intussen begonnen de Amerikanen maar vast Koeweit te bevrijden en het Midden-Oosten te stabiliseren. Dat zag er voor mij niet uit naar “worldleadership”, zelfs nauwelijks naar “compliance” met het volkenrecht. Het zag eruit naar een ondubbelzinnige hegemonie waarin de hegemoon kon doen en laten wat hem het beste schikte, zoals de koningen in de tijd van het absolutisme, vooral dus wat in zijn voordeel was. Een wereldleider moet toch een stuk onpartijdiger en minder egoïstisch optreden, moet zich het respect van de hele wereld verdienen, iedereen het zijne willen geven. Nu is het zo dat overal waar het de een of andere Amerikaan invalt om ergens ter wereld te zijn, de president van de "worldleader" optreedt, liefst gewapenderhand, om die Amerikaan ter plaatse te beschermen. Dat is een constante doctrine die openlijk is uitgesproken.

(Wordt vervolgd, want er is nog veel over te zeggen.)

zondag 26 december 2010

De wereld en ik 9

Nog iets over de vorming van de wereldpresident
Dat Kloppenberg zo weinig aandacht besteedt aan de literaire kant van Obama is deste vreemder omdat Obama in de eerste plaats al literaire aandacht had gehad voordat hij naar Harvard ging en daarvan wel zoveel had opgestoken dat hij zijn - ook door literaire schrijvers als Philip Roth - goed gerecenseerde “Dreams from my Father” kon schrijven, maar bovendien omdat hij bij de Harvard Law Review te maken kreeg met de “law and literature movement”.
(Zelf heb ik mij er in de 90-er jaren uitgebreid mee beziggehouden, zoals blijkt uit een drietal publicaties die hier, hier en hier te vinden zijn op mijn website. Ik had in de 70-er jaren een bespreking geschreven van een fictionele dissertatie, getiteld “De Raad voor de Constitutie”, van de hand van de even fictionele secretaris van die raad, Mr. Liesbeth van Lokeren. Ik sprak toen nog van de “literair-juridische methode”, later van “jurisfictie”. Ik had graag gewerkt aan een juridische roman waarvan ik veel voorbeelden kende, maar dat veronderstelde een gedegen studie van de literatuur en daar kwam ik pas aan toe in 1988, toen ik de universiteit kon verlaten. Ik was toen echter een beetje mismoedig geworden van de manier waarop in Nederland op dit gebied niets van de grond kwam. Bij één nummer van “Karakters” is het gebleven, afgezien van het proefschrift van Jeanne Gaakeer over de hieronder genoemde James Boyd White. Momenteel zit ik al een hele tijd niet meer in het vak en ik weet niet of zij - inmiddels hoogleraar - promovendi heeft. De juridische roman floreert hier m.i. ook niet, hoewel o.m. “de rijdende rechter” aardig wat stof levert. "Karakter" van Bordewijk is er geen. Het bevat geen juridische probleemstelling, maar beschrijft de aanloop naar een carrière van Katadreuffe die ook een andere dan juridische had kunnen zijn en hetzelfde verhaal zou opleveren. "Advocaat van de hanen" van A.F.Th. van der Heijden is er ook geen. Het is niet genoeg dat er een advocaat of rechter in voorkomt. Misschien dat alleen een aantal boeken van François Pauwels in aanmerking komen. Soit.)
In 1989, toen Obama zelf hoofdredacteur was, publiceerde James Boyd White in de Harvard Law Review zijn bespreking van “Law and Literature. A misunderstood relation” (1988) van Richard Posner. In 1988 verscheen ook de reader “Interpreting Law and Literature. A Hermeneutical Reader”, onder de redactie van Sanford Levinson en Steven Mailloux, waarin 24 eerdere publicaties waren opgenomen. Drie ervan hadden gestaan in de Harvard Law Review, andere in zulke periodieken als de Yale Law Review, Texas Law Review, Rutgers Law review, enz. of waren uittreksels uit gepubliceerde boeken. Sanford was jurist, Mailloux literatuurwetenschapper. In 1987 was al “Cross-examinations of Law and Literature. Cooper, Hawthorne, Stowe, and Melville” van Brook Thomas verschenen, in 1984 “The Failure of the Word. The Protagonist as Lawyer in Modern Fiction” van Richard H. Weisberg en James Boyd White gaf al enige jaren cursussen in het vakgebied “law and literature” aan de Chicago Law School. Boyd White wordt algemeen gezien als de grondlegger van de beweging en van het vak, Weisberg was jurist en gallicist, Posner rechter en docent rechten, een man met een fabelachtige eruditie. (Kloppenberg noemt hem wel, maar alleen als de drijvende kracht achter en in de “law and economics” beweging.) Chicago Law School was de voornaamste universiteit waar onderwijs in het vak werd gegeven. Posner heeft het gegeven, evenals de filosofe Martha Nussbaum. Intussen waren er volgens Posner in de derde druk van zijn “Law and Literature” (2009) in 2007-2008 124 universitaire docenten “law and literature” en verschenen er in het jaar dat Obama hoofdredacteur van de Harvard Law Review was, 1989, 48 boeken over. Laten we dus niet net doen alsof dit niks voorstelt. En de bloei van het vak is niet beperkt tot de Verenigde Staten, ook in Engeland, Frankrijk, Italië, Portugal, Australië, Noorwegen worden inmiddels cursussen gegeven en/of symposia georganiseerd. (Ik put dit allemaal uit mijn eigen bibliotheek en uit de daarin ook opgenomen derde druk van het boek van Posner.)
Een van de belangrijkste taken van de beoefenaren van dit vak was de opstelling van een lijst, een canon van de literaire werken die in aanmerking kwamen voor bestudering, romans of toneelstukken en zelfs poëzie waarin het recht een thema was. Dat blijken, zoals te verwachten was, niet alleen Amerikaanse werken te zijn, maar vooral Europese. Weisberg b.v. behandelt Dostojewski, Flaubert en Camus, naast Melville. Posner is de meest uitgebreide. Bij hem o.a. Homerus, Euripides, Sophocles, Dante, Chaucer, Shelley, Stendhal, Kafka, Dickens, Melville, Dostojewski, Flaubert, Milton, Huxley, Camus en vooral Shakespeare. Obama moet hier veel hem al van zijn middelbare school bekende werken zijn tegengekomen. De veruit meeste waren natuurlijk niet van zwarte auteurs (of “community organizers”). Als de stelling waar is dat juristen veel van de literatuur kunnen leren, dan moet dit ook zijn doorgedrongen tot Obama, zeker omdat hij juist rechten ging studeren omdat hij dan als advocaat betere middelen had voor zijn maatschappelijk werk. “Law is a rhetorical discipline,” schrijft Posner terecht, en een “literary sensibility” komt rechters zowel als advocaten goed van pas, een stelling die ook Martha Nussbaum verdedigt in haar “Poetic Justice” (1995). Kloppenberg heeft het om de haverklap over de wonderbaarlijke “sensibility” van Obama, maar als iets “sensibility” ontwikkelt dan is het wel de kunst, i.c de literatuur.
Het vervelende is dat ik via Kloppenberg niet toekom aan mijn vraag: moet de wereldpresident romans lezen? Het antwoord lijkt mij voor de hand te liggen, maar empirisch onderzoek is nog niet mogelijk bij ontstentenis van een wereldpresident. We hebben alleen maar een Amerikaan. Ziet hij de huidige wereldgeschiedenis als een “narrative arc” die geborgenheid geeft? Denkt hij überhaupt over de wereld, over zijn geschiedenis en vooral toekomst? Leest hij bij voorbeeld Don DeLillo of Salman Rushdie die vaak genoemd worden als de auteurs van “global novels”? En wat steekt hij van die lui op? Of: wat blijkt daarvan? M.a.w. blijft de invloed van de literatuur op Obama beperkt tot het gebruik van literaire procédés of ontleent hij er ook inhouden aan voor de buitenlandse politiek van de VS? George W. Bush keek tenminste veel westerns met helden als John Wayne die veel indianen doodde terwille van de “true grit” van de uitverkoren Amerikanen. Hij leerde ervan hoe hij Osama bin Laden moest opjagen (“hunt him down”) en uitroken (“smoke him out”). Van zulke poëticale kwaliteiten hoort men bij Kloppenberg over Obama niks. Van wat wel?
(Wordt vervolgd.)

woensdag 22 december 2010

De wereld en ik 8

De vorming van de wereldpresident
De huidige president van de Verenigde Staten heeft doorgeleerd in de literatuur, de politieke wetenschap en in de rechten. In de literatuur raakte hij geïnteresseerd na zijn vijftiende op de middelbare school, hij studeerde erin door op de eerste universiteit waar hij naar toeging (Occidental College in Los Angeles) en de tweede (Columbia in New York), maar besloot in deze periode geen schrijver te worden en af te studeren op politieke wetenschap. Niettemin had hij aardig wat literatuur tot zich genomen en ook schrijftechniek. Hij begreep uitstekend dat de literatuur het voertuig bij uitstek is voor filosofische of politieke boodschappen. In ieder geval beter dan academische tractaten die alleen maar door vakgenoten genoten kunnen worden, terwijl romans door iedereen gelezen worden. Die wijsheid had Dante Alighieri al en hij schreef zijn "Divina Commedia", die de Blijde Boodschap bevat, dan ook in een literaire vorm. (Misschien dacht hij wel dat Thomas van Aquino haar al helder genoeg uiteen had gezet in zijn sterk filosofisch getinte "Summa Theologiae" en had hij ook geconstateerd dat dit tractaat geen al te hoge oplage bereikte.)
Literatuurwetenschappers willen het niet graag toegeven, maar literatuur is nog steeds retorica. Een literaire tekst moet nog steeds de aandacht trekken ("capere benevolentiam") en vasthouden ("dispositio", onder meer met de bedoeling "suspense" te creëren) en daar is de retorica nu juist voor bedoeld. De literatuur maakt aanschouwelijk en is daardoor "aantrekkelijker" dan de filosofische of wetenschappelijke tekstsoort. James Atlas vertelt in zijn biografie van Saul Bellow dat hij "conversant in philosophy" was "in a novelistic way", dat hij vertrouwd was met filosofie op de manier van de romanschrijver. Menigeen zal ook "Herzog" of "The Dean's December" of "Ravelstein" gelezen hebben om hun beschouwelijke inhoud. In romans treden natuurlijk personages op, maar die lijken als het goed is net echt en zijn dan ook uitgerust met opvattingen, al is het maar over het geluk van getrouwd te zijn met een chirurg. Vaak voeren zij daarover ook conversaties, meestal dialogen genoemd. Een roman lees je in de eerste plaats om het romaneske, de "novelistic way", die bestaat in de vertelling van gebeurtenissen en de beschrijving van "characters", zoveel mogelijk op mensen lijkende personages. Terwijl je daarin wordt meegesleept kun je "terloops" filosofische of politieke opvattingen toegediend krijgen.
Als je de beide boeken van Obama leest krijg je niets te horen over de vakliteratuur die hij tijdens al die jaren aan al die highs schools, colleges en universities waar hij gestudeerd heeft, heeft verwerkt. Dat is heel opmerkelijk, want professor James Kloppenberg weet er een lange literatuurlijst uit te halen om tot de conclusie te komen dat Obama een echte intellectueel is. Wat hem misschien politiek wel noodlottig wordt, maar zover gaat de analyse van Kloppenberg niet. Zoals ik al eerder schreef onderzoekt de professor ook niet welke invloed de literatuur op Obama heeft gehad. Hij vermoedt het wel, maar mist blijkbaar de categorieën om het in kaart te brengen.
De beide boeken van Obama zijn literair geschreven. Je kunt ze onderbrengen in het subgenre "non-fiction novel". Obama is zich terdege bewust van de "rhetorics of fiction", van de verleiding die van de literatuur uitgaat en hij is zeer goed in staat zijn boodschap te presenteren "in a novelistic way".
Hij was tot de slotsom gekomen dat de Amerikanen er zich zelf van bewust zijn dat zij hun dagelijkse leven leiden terwijl ze daarbij "iets missen", een "sense of purpose", een "narrative arc". Wat is dit laatste anders dan de roman van hun leven? Weliswaar de ouderwetse roman die een duidelijk einde heeft, een waarin het beschreven (deel van het) leven zin krijgt, maar dat wil hij de Amerikanen ook geven: een doel en een roman; Amerikanen zijn hun geborgenheid kwijt, meent hij. (Ondanks alle "narrative arcs" van Hollywood, zou je kunnen vragen.) Zijn methode is de "novelistic way". Kloppenberg signaleert: "Obama the writer prefers flesh-and-blood characterizations to discourses on civic republicanism, philosophical pragmatism, the discourse ethics of deliberative democracy, and antifoundationalism". De vier thema's waar de "discourses" over kunnen gaan die hij achterstelt bij de personages van vlees en bloed van de roman zijn typische overtuigingen van hem: betrokkenheid bij de openbare zaak, filosofisch pragmatisme, de ethiek van de discussie in een overlegdemocratie en afwijzing van het filosofisch fundamentalisme. Die overtuigingen kunnen in zijn "non-fiction novels" worden gelezen (als je de bril van professor Kloppenberg op hebt).
Het is ook opmerkelijk hoe vaak hij in zijn "Dreams from my father" anderen dan zijn ik-personage aan het woord laat. Vaak zijn dat reëel bestaande mensen, die hij overigens meestal van gefingeerde namen voorziet, maar even vaak zijn het personages die zijn samengesteld uit verschillende al dan niet reële. Hij noemt ze altijd met name, ze heten "Regina" of "Odero" of "Ray" of "Marty" en dat maakt ze meteen al aanschouwelijk en de aandacht trekkend. (Het is een van de eerste adviezen die docenten in "creative writing" aan aankomende schrijvers geven: benoem zo snel mogelijk je personages.)
Zoals gezegd, voelt Kloppenberg af en toe deze literaire kwaliteit van Obama wel aan, maar niet professioneel genoeg. Zijn professionaliteit reserveert hij voor Obama's vooral politieke ideeën. Dat is jammer, men zou graag willen weten waar Obama zijn "wisdom of the novel" vandaan haalt en wat hij ermee doet. "Gedurende de jaren na zijn verkiezing in de senaat van Illinois in 1996 is Obama een "accomplished storyteller" geworden," schrijft Kloppenberg, "in staat om complexe ideeën tot leven te brengen door ze te integreren in verhalen over individuen, zichzelf of uit zijn omgeving." Obama moet dus over een "politics" en/of "rhetorics" en/of "ethics of fiction" beschikken die hij toepast en waarmee hij zijn lezers en toehoorders op literaire wijze verleidt tot het aanhoren van zijn boodschap. Hebben wij wel genoeg in de gaten met welke literaire kunstgrepen en truuks Obama ons bedwelmt, welk een formidabele "hidden persuader" hij is?  Hij kan dit niet alleen geleerd hebben van zijn buitenschoolse lectuur van Ralph Ellison of Malcolm X, maar in de eerste plaats van zijn leraren op school. Wie waren dat en wat onderwezen zijn? Wat voor literatuuronderwijs werd er in de VS gegeven in de 80-er jaren? En welke niet-zwarte literatuur moest men ook lezen?

maandag 29 november 2010

De wereld en ik 7

Over de vorming van een wereldpresident (en in het bijzonder een gekleurde)

Als je nu toch bezig bent met het schrijven van de “global novel”, zoals ik hier doe, dan is het wellicht belangrijkste personage de figuur van de president van de Verenigde Staten, op dit moment Barack Obama.
Stel dat iemand je bij het begin van diens carrière gevraagd had welke literatuur hij zich eigen moest maken om de wereld goed te kunnen regeren, dat je een soort “vorstenspiegel” moest samenstellen, zoals men ze in vroeger tijden zag, - bv. de “Kyropaideia” van Xenophon van Athene voor de jonge Cyrus of de “Institutio principis christiani” van Erasmus van Rotterdam voor de aanstaande keizer Karel V of “Il principe” van Machiavelli voor Cesare Borgia, - welke geschriften zou je dan op je lijst opnemen? Ik ga maar weer eens bij mijzelf te rade, per slot van rekening ben ik doorgedrongen tot het niveau van het wereldrecht, wat van de president van de Verenigde Staten betwijfeld kan worden.
Vroeger las ik graag biografieën van grote staatslieden, bv. Benjamin Disraeli, Thomas Jefferson, Gijsbrecht Karel van Hogendorp, Rutger Jan Schimmelpenninck, kardinaal Richelieu, Talleyrand. Soms schaf ik er nog wel eens een aan, onlangs nog een nieuwe over keizer Frederik II. Wat lazen die lui? In de 18e en 19e eeuw nog veel klassieke teksten, zoals van Plutarchus, Cicero, Sallustius, Vergilius of Julius Caesar, maar ook van de Verlichters Locke, Montesquieu, Rousseau, Voltaire. En toen ik staatsrecht deed, “moest” ikzelf nog de hoofdstukken in “Pot-Donner” over Hobbes, Locke, Montesquieu, Rousseau, Burke, Kant, Hegel, Marx kennen. Ter inleiding in de toenmalige (Nederlandse) politieke praktijk vond ik “Hedendaagse sociale bewegingen” van Willem Banning beter, maar laat ik hier maar niet naar volledigheid streven. Wat ik zeggen wil dat is dat staatslieden tegenwoordig meer rekening moeten houden met het partijwezen en dan ook politici zijn geworden.
Toch zou de president van het machtigste land ter wereld, het land dat overal ter wereld belangen zegt te hebben die verdedigd moeten worden, een staatsman moeten zijn, zeker nu het Amerikaanse presidentschap een “imperial presidency” is geworden, een situatie die aan de president gigantische bevoegdheden heeft toebedeeld die niet of nauwelijks onder de controle van het congres vallen en waarvan bv. Clinton en Bush Jr. gebruik hebben gemaakt om een aantal oorlogen te beginnen. Liefst dus een echte staatsman. Wat moet zo’n man lezen?
Ter beantwoording van die vraag zou je kunnen beginnen met wat een aantal presidenten daadwerkelijk hebben gelezen en dan proberen er de heilzame werking van vast te stellen. Dat beoogt nu het boek van Kloppenberg “Reading Obama” met Obama te doen. Het boek heeft als ondertitel “Dreams, Hope, and the American Political Tradition” en is dienovereenkomstig onderverdeeld in drie hoofdstukken: “The Education of Barack Obama”, "From Universalism to Particularism” en “Obama’s American History”.
Kloppenberg gebruikt als aanvankelijk materiaal de twee boeken die Obama zelf - met ondersteuning van een editor - heeft geschreven, “Dreams from my Father. A Story of Race and Inheritance” (1995) en “The Audacity of Hope. Thoughts on Reclaiming the American Dream” (2006). Het eerste schreef hij toen hij, 32 jaar oud, rechtenstudent en chef-redacteur van de “Harvard Law Review” was, het tweede toen hij federaal senator was. “Dreams” was de verdere uitwerking van een boek waarom hij door een uitgever gevraagd was toen hij gekozen werd tot chef-redacteur en waarin hij aanvankelijk zijn politieke credo had willen neerleggen. Al schrijvende werd het een autobiografie. Van een 32-jarige? Er waren minstens drie factoren die het boek rechtvaardigden: de schrijver ervan had al een universitaire studie politieke wetenschappen achter de rug, hij had, als “community organizer”, al praktische ervaring en hij was als eerste zwarte student gekozen als chef-redacteur van een vooraanstaand juridisch blad. Het laatste trok sterk de aandacht in de publiciteit en bracht nieuwsgierigheid teweeg naar de verdere achtergrond van deze jongeman. Toen het boek uitkwam was hij trouwens al docent constitutioneel recht aan de Chicago Law School.
Obama heeft dus politicologie en vervolgens rechten gestudeerd en tussen de beide studies maatschappelijk werk gedaan. Op het laatste onderwerp is hij gepromoveerd waarna hij nog eens tot 2004, dus 12 à 13 jaar aan de universiteit heeft gedoceerd. Hij had een echte - levenslange - professor kunnen worden, ware het niet dat hij in 1997 senator in Illinois werd en definitief in de politiek ging.
Over “Reading Obama” dus. De toekomstige president las in zijn jeugd veel romans, maar Kloppenberg vermeldt er maar één plus een autobiografie. Dat is jammer, want romans hebben vaak veel meer invloed dan vakliteratuur. “On his own he was reading books that piqued his curiosity about race and identity, books by W.E.B. DuBois, Langston Hughes, James Baldwin, Richard Wright, Ralph Ellison, Malcolm X.” Dat was toen Obama een teener was. Hij is opgegroeid tussen “white folks”, zijn grootouders van zijn moeders kant, zodat hij niet in staat was in het ressentiment van de zwarten te delen en er via literatuur in moest zien te komen. Die was dus ontzettend belangrijk voor zijn zelfkennis.
Dit lezende, en vooral dit lijstje bij Kloppenberg herinnerde ik mij een opmerking van Wayne Booth in “The Company We Keep: an Ethics of Fiction”: in het midden van de zestiger jaren verklaarde een zwarte collega van Booth aan de universiteit van Chicago dat hij niet langer “Huckleberry Finn” voor zijn studenten kon geven vanwege “the many distorted views of race on which that book is based”. Booth neemt deze anecdote als uitgangspunt voor de bespreking van zijn “ethics of fiction”, maar het toont aan dat leerlingen van de middelbare school in de Verenigde Staten meer lazen dan Kloppenberg suggereert. Zoals ook te verwachten is.
Wat Obama in zijn puberteit las was dus veel meer dan Kloppenberg opnoemt. Zeker, in de eerste plaats, de bijbel die Kloppenberg maar overslaat. En verder ongetwijfeld blanke schrijvers. Had hij, Obama, ook bezwaren tegen of problemen met de “racial bias” van blanke schrijvers over hun personages? Leerde hij dat de blanken ook goede kanten hadden en aanknopingspunten voor integratie? Wij horen het helaas niet van Kloppenberg. De enige roman die hij met name noemt en bespreekt is “Invisible Man” van Ralph Ellison, waarin weliswaar een conciliant standpunt wordt ingenomen, althans hoop op erkenning wordt uitgesproken, maar alleen als een deugd door de zwarten te betrachten. Ik vind dit een jammerlijke omissie in het boek van Kloppenberg. Ongetwijfeld heeft Obama talloze Engelse romanciers gelezen, bv. George Eliot en Joseph Conrad alsmede blanke Amerikaanse auteurs zoals Henry James, Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald, Thomas Pynchon, Saul Bellow, Philip Roth, kortom, de gewone middelbareschool-lijst. Welke effecten hadden die op hem? Kloppenberg beperkt er zich toe alleen maar de auteurs te noemen die Obama, ter illustratie van zijn worsteling met het rassenprobleem, zelf noemt.
En dan de buitenlandse romans van niet-Engelse auteurs. Die ikzelf gelezen heb en die mij hun land van herkomst hebben leren kennen waren in ieder geval voor Rusland die van Tolstoi, Dostojewski, Gogol, enz., voor China “De jonge opstandeling” van Pearls Buck en “Het menselijk tekort” van Malraux, voor Nederlands-Indië werk van Augusta de Wit, van Couperus, van Gijsbert de Vries (“Pang Paneu, de Toenonger”), voor Engeland romans van Graham Greene, Evelyn Waugh, toneelstukken van Shakespeare, enz., voor Italië Dante, voor Spanje Cervantes, enz. Van dezen heeft Obama er ook een aantal moeten lezen. Zonder dat zij invloed hadden? En welke kranten las Obama? Hoeveel buitenland - en wereldgeschiedenis - leerde de toekomstige wereldpresident via deze literatuur kennen?
En hoe zat het met die zwarte literatuur van Obama? “He knew about the rage felt by - zijn zwarte jeugdvriend Ray - and others who did not have the cushion of a loving white family to ease their experience of racism. He plunged into the anger of Baldwin and Wright. He already sensed that blacks were always playing on an away court, a court where only whites felt at home. But the voices that spoke most profoundly to Obama seem to have been those of Hughes and Ellison, writers who laced their anger with doses of hope.” (pg. 14) “...an away court ... where only whites felt at home”: de club waar alleen blanken zich thuis voelden en zwarten zich moesten invechten wilden zij dezelfde faciliteiten krijgen; erbij horen kwam er natuurlijk nooit van, dat moest wachten tot er gemengde clubs kwamen.
“Dreams” heeft ongetwijfeld vele modellen gehad, schrijft Kloppenberg, maar de toon die erin weerklinkt is die van Ellison’s “Invisible Man”. De protagonist van die in de eerste persoon vertelde roman “despite repeated rebuffs and deepening disillusionment, refuses despair”. Hij klampt zich vast aan het beginsel dat het “tragically flawed project of American democracy” bezielt. Zijn grootvader had hem op zijn sterfbed bezworen dit beginsel, “greater than the men, greater than the numbers and the vicious power and all the methods used to corrupt its name”, te omarmen. En Ellison’s protagonist “embraces the ideals of freedom and equality that the nation’s failures had not tarnished”, wat niet wegneemt dat hij zich in het dagelijkse leven onzichtbaar probeerde te maken door zich terug te trekken in een souterrain. Voor Obama was dat geen begaanbare weg. Hij betekende, realiseerde hij zich, “withdrawal into a smaller and smaller coil of rage, until being black meant only the knowledge of your own powerlessness”. Vandaar hoogstwaarschijnlijk zijn neiging om zich zelfs niet terug te trekken in een veilige academische ivoren toren, maar deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Het “project of American democracy” zou een dode letter blijven tenzij Afro-Amerikanen zich over hun haat heen zouden kunnen zetten.
Een tweede bron van inspiratie in deze zwarte literatuur was “The Autobiography of Malcolm X”, nog meer het relaas van een zelf-creatie en in laatste instantie een nog diepere belofte van conciliatie tussen blanken en zwarten door de erkenning van een wijdere broederschap. Zijn vroege lectuur en reflectie, vervolgt Kloppenberg, legden de grondslag voor zijn exceptionele zelfbewustzijn. Conversaties met zwarte vrienden van zijn vader en de dichter Frank Marshall Davis brachten hem de centrale boodschap van de geschriften van Du Bois en Ellison bij: zolang je achter de sluier bleef, onzichtbaar voor de blanken, zou je nooit door blanken gekend worden zoals jij hen kon kennen. Dat laatste lijkt wat cryptisch en het staat in “Dreams” duidelijker. De dichter Frank zegt over de blanke grootvader van Obama: “He’s basically a good man. But he doesn’t know me. He can’t know me, not the way I know him. Maybe some of these Hawaiians can, or the Indians on the reservations. They’ve seen their fathers humiliated. Their mothers desecrated. But your grandfather will never know what that feels like. That’s why he can come over here and drink my wiskey and fall asleep in that chair you’re sitting in right now. Sleep like a baby. See, that’s something I can never do in his house. Never. Doesn’t matter how tired I get, I still have to watch myself. I have to be vigilant, for my own survival.” En de jonge zelfs nog niet president in spe “knew for the first time that I was alone”. Bedoelende dat hij bij de blanken noch bij de zwarten steun hoefde te verwachten, maar zijn eigen middenweg moest gaan. Van literatuur leer je toch wel wat, bij voorbeeld hoe je boven partijen kunt/moet staan. Iets voor het bouwen van bruggen over de kloof tussen moslims en christenen.
(Wordt vervolgd.)

dinsdag 16 november 2010

De wereld en ik 6

Ik voel dat ik steeds meer getrokken word naar mijn huidige omgang met de wereld en het relaas van mijn ontwikkeling verdring. Ik was echter nu juist op zoek naar een tegenhanger van iemand uit de veertiger (b.v. Bacevich) of zelfs zestiger jaren (b.v. Obama) en dan liefst een Amerikaan, een lid van het volk dat de baas in de wereld is. Er is zeker een ding dat hun oordeel over de toestand in de wereld er anders laat uitzien dan te verwachten is van iemand uit Europa en dat is de directe aanraking met de Tweede Wereldoorlog. Europa was, zoals het fraai heet, het “Europese Theater van de Tweede Wereldoorlog“, zeg maar het slagveld, terwijl de Amerikanen veilig aan de andere kant van de Atlantische Oceaan zaten. Natuurlijk, zij stuurden soldaten hierheen, maar de bevolking zelf had weinig te vrezen van het oorlogsgeweld. De Europeanen daarentegen waren gewikkeld in die strijd en de burgerbevolking werd daarbij niet geschoond. Het ligt voor de hand dat er daar een gigantisch reservoir van optimisme bestond dat hier vrijwel verdwenen was. Niet alleen was slechts een relatief klein deel van de bevolking betrokken geweest bij de oorlogsvoering, er was ook nog flink aan verdiend. In Europa was iedereen erbij betrokken geweest en het werelddeel was economisch totaal aan de grond. Hier had doodsangst geregeerd, daar had men in een pastoraal paradijs geleefd. Geen wonder dat de Europese geesten vervuld waren van pessimisme en fatalisme, dat er een neiging was om in te keren in het meest elementaire, zoals in het existentialisme plaatsvond. Dat leek wel op het Amerikaanse pragmatisme, maar benadrukte nu juist veel meer de donkere kant van de “condition humaine”, in tegenstelling tot de Amerikaanse filosofie van het aanpakken. Die hadden mooi praten.
Ik heb dat zelf ook aan den lijve ondervonden en erger mij altijd nog aan dat padvinders-optimisme dat van die kant getoond wordt. Pragmatisme is best aardig, als de omstandigheden meewerken, hetgeen voor de Verenigde Staten “toevallig” - en zeker niet door eigen verdiensten - het geval was. Ik behoor ook niet tot de generaties - te beginnen met de babyboemers - die met groot gemak dat Amerikaanse pragmatisme menen te kunnen overnemen. Wie dat doet verdringt het feit - en de “horror” - van de Tweede Wereldoorlog: het was inderdaad een “theater”, namelijk van al het onmenselijke dat denkbaar is. De Tweede Wereldoorlog was een waarschuwing van de Geschiedenis dat men voorzichtig moet zijn met optimisme, een les die de Amerikanen blijkbaar maar niet ter harte kunnen nemen.
In “American Pastoral” vertelt Philip Roth het verhaal van Seymour “Swede” Levov, een blonde joodse jongen in “our neighbourhood” (Weequahick) in Newark die uitblinkt door athletische gaven. Hij is voor de buurt waarin hij woont een toonbeeld van talent en geslaagdheid en daarmee iemand die hoop geeft. “... door de “Swede” trad de buurt in een fantasie over zichzelf en over de wereld, de fantasie van sportliefhebbers overal ... onze gezinnen konden de manier waarop dingen gaan, vergeten en van een athletische prestatie de schatkamer van al hun hoop maken. In de eerste plaats konden zij de oorlog vergeten.” De “Swede” ontwikkelde zich daar tot een ogenschijnlijk harmonieuze persoonlijkheid, tot 1968, als zijn zestienjarige dochter, “to bring the war home”, een bom gooit in een supermarkt die totaal verwoest wordt en het leven kost aan een toevallig aanwezige huisarts. De “Swede” stort dan helemaal in, treedt, kort samengevat, in een existentiële toestand. Dat effect had de Vietnam-oorlog op de - sommige - Amerikanen. Zij ondervonden voor het eerst de oorlog aan den lijve en tenminste bij de direct betrokkenen bracht dat de toestand teweeg die in Europa aan hele massa’s was toegebracht.
Madeleine Albright vertelt dit op een wat andere manier. Hoofdstuk drie van “The Mighty and the Almighty” is getiteld “Good Intentions Gone Astray: Vietnam and the Shah”: goede bedoelingen die op een dwaalspoor komen... Het is het einde van de vijftiger jaren. “Voor de meeste Amerikanen was het een tijd van morele duidelijkheid. Mijn vader schreef boeken over de gevaren van het communisme en ikzelf had weinig moeite met het scheiden van de globale “good guys” van de schurken. Er waren niet veel openbare haarkloverijen, tenminste niet in de Verenigde Staten, toen vice-president Nixon beweerde dat “Wij staan aan de kant van God.” Een paar weken nadat ik afstudeerde ontmoette Nixon de opschepperige premier van de Sovjet-Unie, Nikita Kroesjtsjov, in het zogenaamde “keuken debat” bij een tentoonstelling van moderne huisraad in Moskou. De vice-president poneerde dat het V.S.-systeem superieur was door te wijzen op de hoge kwaliteit van de Amerikaanse huisapparaten. Dit technologische onderscheid werd, in 1961, meer dan geëvenaard door een concreet bewijs van een moreel onderscheid, de bouw van de Berlijnse Muur (of, zoals Oost-Duitse leiders haar bij voorkeur noemden, de “anti-fascisme beschermingsmuur”). Anders dan de communisten had de vrije wereld er geen behoefte aan barrières op te werpen om hun bewoners te beletten te ontsnappen. Het Westen, met de Verenigde Staten aan de leiding, was duidelijk bezig de oorlog van de ideeën te winnen. Toen kwam Vietnam. De Amerikaanse verwikkeling in de oorlog in Zuid-Oost Azië, zich uitstrekkende van het begin van de zestiger jaren tot het voorjaar van 1973, bezoedelde wat zo helder had geleken.”
Ik heb de neiging hieraan toe te voegen: toen pas. Pas door de Vietnam-oorlog werden de Amerikanen wakker en begonnen ze te beseffen dat men aan pragmatisme, volgens hetwelk men altijd vooruit kon, niet genoeg had. Philip Roth vertelt het verhaal van de “Swede” in een deel van zijn roman dat getiteld is “Paradise Remembered”. De toestand die hij daarin beschrijft duurde ook bij hem tot de Vietnam-oorlog. Amerikanen, althans de inwoners van de Verenigde Staten, hadden al in de dertiger jaren het gevoel dat zij in “het laatste Arcadië” leefden, “een onschuldige en quasi-utopische schuilplaats voor de cumulatieve dwaasheden en doortraptheden van de corrupte wereld aan gene zijde van de oceaan”, zoals de historicus Paul Johnson in “A History of the Modern World” (1983) schreef. Vietnam bracht de val uit het paradijs en het verlies van de onschuld. Een groot schrijver als Philip Roth weet dit en weet dit onder woorden te brengen, de meeste Amerikanen echter steunen regeringen die nog altijd geloven in een “Manifest Destiny” van het Amerikaanse volk om de hele wereld te bevrijden.

maandag 15 november 2010

De wereld en ik 5

En nu terug naar de verkokering van het Amerikaanse denken. Bacevich is niet de enige aan wie dit te demonstreren valt. Lang voor hem kon hetzelfde worden vastgesteld bij Henry Kissinger in zijn “Diplomacy”. En wat te denken van Madeleine Albright in haar “The Mighty and the Almighty”? (Albrighty?)
Kissingers “Diplomacy” lijkt een geschiedenis van de diplomatie te zijn, maar is het niet. Zeker, Kissinger gaat terug tot de Restauratie van na de napoleontische oorlogen. Hij doet dat echter alleen maar om een historisch model voor zijn eigen denken op te sporen. Hij is de Metternich van na de Tweede Wereldoorlog. Niet dat hij er meteen bij was, daar was hij veel te jong voor, maar hij huldigt de opvatting dat de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten het - uiteraard gemoderniseerde - Europese model van het evenwicht van machten - van het Ancien Régime - moet volgen en niet de hegemoon moet uithangen. Dat is de realistische politiek, in tegenstelling tot de wilsoniaanse van het Interbellum. (Of bedoelt hij dat Amerika geroepen is “to hold the balance”, zoals Engeland deed in de 19e eeuw? Whatever.)
Het boek draagt de titel “Diplomacy”, maar het gaat alleen maar over de buitenlandse politiek van de VS, niet over diplomatie in het algemeen. Dat wordt duidelijk als men het vergelijkt met een “echte” geschiedenis van de diplomatie, b.v. “The Rise of Modern Diplomacy 1450-1919" (1993) van M.S. Anderson. Ondanks veel concrete gegevens zwalkt het boek van Kissinger heen en weer tussen de beginselen van Theodore Roosevelt, Woodrow Wilson en zijn eigen realisme. Merkwaardig genoeg erkent hij niet dat Amerikanen ook maar mensen zijn. Hij heeft dat gemeen met veel van zijn landgenoten. Enerzijds beweren zij dat de VS bij de buitenlandse politiek uitgaat van beginselen, grotendeels ontwikkeld in reactie op de Europese diplomatieke praktijk, anderzijds verbazen zij er zich over dat hun land van tijd tot tijd terugvalt in de Europese praktijk van imperialisme en geweld. Hun relazen komen erop neer dat de Amerikaanse diplomatie “in beginsel” beginselvast is. Zeer realistisch is hun verhaal dus niet. “Mains sales” worden achter de rug gehouden en alleen maar genoemd als incidenten, niet als de reële praktijk.
De Verenigde Staten moeten hoe dan ook de exceptie, de uitzondering blijven. Hoezo? Luister naar wat Madeleine Albright zegt: “Zelf ben ik geneigd degenen die betogen dat Amerika geen uitzonderlijk land is te antwoorden met: “Onzin”. Ik kan wijzen op de Declaration of Independence, de Constitution, de Bill of Rights, het Gettysburg address, de rol die de VS in twee wereldoorlogen hebben gespeeld en het voorbeeld van de multi-raciale, multi-ethnische democratie van Amerika en vragen: welk land kan zich hiermee vergelijken?” Dát is hoe Amerikanen denken. En wat ik signaleerde bij Bacevich. (Ik word hier altijd nogal kniezig bij. Amerikanen vieren Independence Day, je weet wel, de “Fourth of July”. Wij, in Nederland vieren Bevrijdingsdag. Wij vieren dat wij bevrijd zijn gewórden, zij dat zij zich zelf vrij hebben gemaakt. Niet dat wij dat niet hebben gedaan, namelijk op 1 april 1588, maar dat wil zich niemand - meer - herinneren.)
Het is moeilijk te zeggen hoeveel Europees gedachtengoed in de door Albright genoemde documenten zit. Zo iets laat zich niet kwantificeren. Ik ben zo vrij te schatten dat het om meer dan driekwart gaat, om gedachten van Montesquieu, Locke, Rousseau, om maar te zwijgen van Calvijn c.s. Het enige waar de Amerikanen zich op kunnen beroemen is dat zij die gedachten hebben omgezet in constitutioneel recht en politiek. En verder moet men zich realiseren dat de befaamde “constitution” in de loop van haar geschiedenis talloze malen geamendeerd is moeten worden. Men leze daar ”A March of Liberty. A Constitutional History of the United States” (1988), 1000 pagina’s dik, van Melvin Urofski (nu in twee banden) eens op na. Er viel dus nogal wat bij te stellen, o.a. wat betreft slavernij, arbeidsrecht, “civil rights” - in de tijd van de slavernij was Amerika ook “multi-raciaal” en “multi-ethnisch”! - vrouwenkiesrecht, anti-trust regeling.
Zulke auteurs als Kissinger en Albright geloven in hun eigen amerikanistische retoriek. Kennisneming van een rechtshistorisch boek als dat van Urofski is daarbij heel nuttig. Zijn titel luidt dan wel even retorisch “A March of Liberty”, maar het is het relaas van een burgeroorlog en talloze moorden, demonstraties en sit-ins, processen tot in het Supreme Court en alle andere denkbare middelen om rechten van burgers af te dwingen, kortom, van de strijd om een rechtvaardige(r) constitutie.
Ook heel nuttig is kennisneming van "Reading Obama" (2011) van James T. Kloppenberg. Het is een relaas van de literatuur die Obama heeft bestudeerd, op zijn middelbare school, buiten schoolverband voor zijn publicaties, voor zijn werk als "community organizer", als advocaat, als deelnemer aan multidisciplinaire seminaries, aan de universiteit (Harvard) waar hij rechten studeerde. Kloppenberg is hoogleraar Amerikaanse geschiedenis en ideeëngeschiedenis. Hij beheerst het intellectuele leven van Amerika (en Europa) volledig en vertelt met groot gemak welke schrijvers Obama allemaal gelezen heeft. Er is verbazend veel Europese literatuur bij. Obama is twaalf jaar lang docent constitutioneel recht geweest en hij blijkt een pragmatische intellectueel - geen "professor" à la Woodrow Wilson - van hoog niveau te zijn. Getuigenis daarvan leggen zijn twee boeken "Dreams from My Father" en "The Audacity of Hope" af. Op dit boek moet ik terugkomen.

dinsdag 9 november 2010

De wereld en ik 4

Tijdens mijn gymnasiumtijd maakte ik uiteraard kennis met andere lectuur. Voor de jongelui van vandaag: ik leerde er, als bèta, zes talen, zes exacte vakken plus aardrijkskunde en geschiedenis. Inderdaad, veertien vakken. Van die zes talen waren er twee zogenaamde dode en vier levende, Nederlands, Frans, Duits en Engels. Dat je wereldbeeld aanzienlijk verbreed werd door de drie vreemde talen spreekt vanzelf, maar ook de vakken geschiedenis en - natuurlijk - aardrijkskunde droegen daaraan bij. Geschiedenis werd gegeven vanaf de Oudheid tot en met de Tweede Wereldoorlog en was Europese historie. Dat het met Europa zo’n beetje afgelopen was en de wereld was overgenomen door de Verenigde Staten, was in 1954, toen ik eindexamen deed, nog niet echt een programmapunt.
Duits was voor mij heel gemakkelijk. Beiden mijn ouders hadden op een kostschool van Duitse nonnen gezeten en ik was vertrouwd met de Duitstalige kerkboeken die zij daaraan hadden overgehouden. Een broer van mijn moeder had bovendien heel vroeg televisie en men gaf de voorkeur aan Duitse programma’s. Goethe, Schiller, Heine, Lenau waren mijn lievelingsauteurs, maar ook Thomas Mann, Hermann Hesse, Heinrich Böll, Theodor Plivier, Stephan Zweig, Rainer Maria Rilke, Franz Kafka. Frans kreeg ik maar heel moeilijk onder de knie en ik las dan ook Mauriac (als enige Fransman?) in vertaling. Engels ging een stuk beter. In 1952, op mijn 17e had ik al een complete Shakespeare aangeschaft.
Ik vertel dit om duidelijk te maken dat ik ook wat met die talen dééd. Veel van wat ik las was geen verplichte literatuur. Ik had echt een neiging tot kosmopolitisme. Waarom? Omdat de kosmopolis zich aan mij opdrong. ( Zijn wij ondanks alle globalisering nationalistischer, parochiëler geworden? Waarom is dan zo moeilijk uit te leggen dat wereldorientatie de gewoonste zaak van de wereld is, dat iedereen ertoe gelegitimeerd is en dat men zich niet meteen hoeft te verontschuldigen voor “kapsones”, zoals mij n ogal eens is overkomen? Je weet wel, het "wie denk je dat je bent?")
Hoe dan ook, ik heb niet naar legitimatie voor mijn keuzen gezocht, maar spontaan een keuzevak “volkenrecht” gedaan. Daartoe moest ik J.P.A. François, een pil van ruim 900 bladzijden, bestuderen. Het viel wat tegen, ik wist toen niet waarom. Nu wel: het was geen uiteenzetting van de actuele machtsverhoudingen. Ik was mij bewust, zoals iedereen toen, van de Tweede Wereldoorlog en het Duitse militarisme, van de Russen en het sovjetcommunisme, van het amerikanisme (o.a. zoals behandeld door Jacques Tati in “Jour de fête”), van de atoombom op Japan, van het Marshall-plan. (P.M. De Tweede Wereldoorlog werd volgens mij door de volwassenen in mijn omgeving geïnterpreteerd als een militaristische operatie. Men maakte onderscheid tussen de Pruisen, die militaristisch en protestant waren, en de Reinländer, die waren “zoals wij”, d.w.z. katholiek en vredelievend. In feite vatte men deze tweede oorlog op dezelfde manier op als die van 1914-1918. Soms was er zelfs sprake van de oorlog van ‘70-‘71. De "illegalen" - of: "het verzet" of "de ondergrondse" - waren ook geen mensen die opkwamen voor de joden, maar die streden tegen de bezetting, die de nationale onafhankelijkheid vernietigde. Dat de joden vervolgd werden was niet onbekend, maar het eerste aandachtspunt was de “Besatzung” die een einde maakte aan onze vrijheid.) Ik had dus internationale betrekkingen moeten studeren. Helaas bestond dat vak nog niet. Intussen was het wel zo dat François talloze concrete dingen behandelde, maar het was niet in een politieke context geplaatst.
Ik heb er niet echt om getreurd, wat niet weet niet deert. Een prachtige compensatie vond ik in “Renaissance diplomacy” (1955) van Garett Mattingly. Ik was verrukt van dat boek. Ik neem het nog steeds regelmatig in handen, telkens weer verwonderd over de helderheid van die man en het giga aantal onderstrepingen van mij. De diplomatie is uitgevonden tijdens de Renaissance, is zijn boodschap, en doordrenkt van de humanistische geest van “Il cortegiano” van Baldassare Castiglione. Die komt in het boek van Mattingly helemaal niet voor, wel een hoofdstuk over de volmaakte ambassadeur, behandeld  in het Spaanse boekje, "El Embajador" (1620), van Juan Antonio De Vera, maar ik stelde mij - zelf - voor dat in het Italiaanse statensysteem van de tweede helft van de 15e eeuw, de bakermat van de moderne diplomatie, diplomaten met elkaar omgingen zoals de hovelingen in de “Cortegiano”. Dat het niet de bedoeling van diplomaten was dat zij met elkáár omgingen, maar met de heersers bij wie zij geaccrediteerd waren en die misschien helemaal niet zo hoofs waren, sloeg ik maar over. Zo’n evenwichtspolitiek als een tijdje in Italië werd beoefend vond ik ook prachtig (en vind ik waarschijnlijk nog steeds even prachtig als Kissinger doet).
François en Mattingly hebben het dus gedaan, de een op zijn juridisch, de ander als historicus. Ik vergeet nog bijna “Toen middernacht nabij was” van Ch. Huygens, een roman over de gebeurlijkheden rond het congres van Westfalen in 1648 waarin mij de rol van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Europa aanschouwelijk werd gemaakt. Het was geen “Oorlog en vrede” van Tolstoi, maar een redelijke historische roman die, zoals gezegd, veel aanschouwelijk maakte.
Zo laat zich het studiemateriaal dat ik indertijd ter beschikking had, indelen: (volken)rechtsgeleerdheid, historiografie (van internationale betrekkingen), romanlectuur. Ik kan dit trivium nog steeds aanbevelen. Tegenwoordig voeg ik er de theorie van de internationale betrekkingen en/of van de globalisering aan toe.
Ik kwam daar voor het eerst op toen ik de “Histoire des relations internationales” in zeven banden onder leiding van Pierre Renouvin ontdekte. Ik vond eerst, bij toeval, het eerste deel, “Le moyen âge” (1953), geschreven door François Ganshof. Het was in de zestiger jaren. De andere banden waren uitverkocht en ik heb er jaren over moeten doen om de serie compleet te krijgen. Dit alles klinkt onschuldig, maar toen ik later de engelstalige literatuur over de internationale betrekkingen onder ogen kreeg, was ik verbaasd over het gemak en de slordigheid waarmee men over het werk van Renouvin heenkeek. De kennismaking met het boek van Zeller gaf mij meteen de gelegenheid tot mijn eerste creatieve daad: ik kon de behandeling van de diplomatie op het einde van de Middeleeuwen van Ganshof aanvullen met het werk van Mattingly.

(Wordt vervolgd.)

zaterdag 6 november 2010

De wereld en ik 3

“Ja,” zeggen vrienden, “maar je was wel een uitzondering. Je las. En je was bevattelijk voor dit spul.” Dat is wel waar, maar het spul wás er dan toch maar. En inderdaad, ik was er bevattelijk voor. En ben het gebleven. Ik wilde op een bepaald moment zelfs diplomaat worden. Dat was in het begin van de zestiger jaren, toen ik repeteerde bij Mr. Hooykaas in Utrecht. Utrecht is lang mijn Mekka geweest. Ik woonde er al in 1956/57, toen als redacteur van het geïllustreerde weekblad “Okido/Parade”. Ik schreef erin, voor zover hier relevant, over de oprichting van de Assoeandam en de Suezkanaal-crisis, over de oorsprong van de Franse kolonisatie van Algerije, over het Jappen-optreden in Zuid-Oost-Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog (naar aanleiding van de film “A Town like Alice”) en andere onderwerpen de wereldsituatie betreffende. Vooralsnog wilde ik reizend reporter worden. Daar kwam niets van. Geldgebrek.
Enkele jaren later begon ik aan een rechtenstudie. Als extraneus. Ik was ambtenaar bij de gemeente Maastricht geworden. En getrouwd, maar niet met Hilda de Kock. Om de veertien dagen reisde ik ‘s zaterdags per trein van Maastricht naar Utrecht. In de voormiddag repeteerde ik bij Mr. Snoep publiekrecht, ‘s middags bij Mr. Hooykaas privaatrecht. Hooykaas was bevriend geweest of nog met ambassadeur Van Rooyen en met Loudon van Koninklijke Olie. Hij wist wat er kwam kijken voor de buitenlandse dienst. Ik hoorde hem er graag over vertellen, maar toen ik hem bekende dat hij mij zo had geïnspireerd dat ik ook diplomaat wilde worden, bracht hij mij met de voeten op de aarde door mij mee te delen dat ik er de nodige charme voor miste. Inderdaad was ik weinig diplomatiek. (Ik had zelfs op mijn tentamen “Inleiding” ruzie gemaakt met zijn broer, Prof. Hooykaas.)
Ik begrijp wel dat menigeen denkt dat ik over mijn bekendheid met Amerika of Indonesië of, wat zei ik, China een ironische tekst aflever, maar het is wel degelijk zo dat men door het lezen van romans kennis, wetenschap kan opdoen. Ik ga dat nu niet uitleggen en detailleren, maar je weet, als je Karl May over Winnetou en Old Shatterhand leest, dat er een Amerika is, of als je “Pieter Marits” leest of “ Pang Paneu, de Toenonger” dat Zuid-Afrika ooit een land van Boeren was die de Engelsen moesten bestrijden en Toenong een bepaald deel van Nederlands-Indië, dat nog niet Indonesië mocht worden genoemd. Misschien was de informatie die je las, vals, maar zij ging over dat land, dat, volgens andere bronnen, bij voorbeeld je aardrijkskunde-boekje, daadwerkelijk bestond. De romantekst leidde je erheen, liet je deelnemen aan bepaalde dingen van zo’n land, maakte je bewust van de aardrijkskunde ervan: het lag daar en daar. Dus, het was mijn gedetailleerde aardrijkskunde die mij in kennis stelde van de wereld en van bepaalde - sociale, economische, culturele - uitingen van het leven aldaar. En nogmaals, de informatie was wellicht vals, aan de verificatie waarvan ik nog niet toe was, maar ik kreeg een hypothese: het zou zo kunnen zijn, plus - vaak/soms - een verificatie-behoefte.
Achteraf is dat mooi gerationaliseerd. Ook aan zo iets als het proces van het rationaliseren was ik niet toe voordat ik, in de zestiger jaren, toen hij al “uit” was, Ter Braak had gelezen. Ik vond het allemaal “Existenzerhellung”, opheldering van de, mijn existentie. Men moest in zijn wereld thuis zijn, begreep ik van de Duitse filosoof Karl Jaspers.
(Wordt vervolgd.)

vrijdag 5 november 2010

America lame duck

De Amerikanen hebben ervoor gekozen hun land tot op het bot te splijten. De hegemoon is dus machteloos geworden! Volg de leider, kameraden!
Niet ons probleem? Nog geen jaar geleden poneerde toenmalig minister van buitenlandse zaken Verhagen dat er met het presidentschap van Obama wat betreft de Nederlandse deelname aan het Afghaanse avontuur een "nieuwe situatie" was ontstaan. Áls die toen al inderdaad was ontstaan, dan is zij nu teruggedraaid. Dus, hoe nu verder?

maandag 1 november 2010

De wereld en ik 2

De omgang met de genoemde boeken was bij mij natuurlijk heel summier en fragmentarisch. Pas veel later kon ik ze echt en helemaal lezen. Er was echter, naast de wereldoorlog en de Bevrijding, nog een bron van kennismaking met “de wereld”. Dat was de R.K. Kerk en het missiewerk. Er was in mijn geboortedorp een vestiging van de Missionarissen van het Heilig Hart. Zij was ondergebracht in de restanten van het middeleeuwse kasteel van de heren van Stein. Toen ik op de zesde klas ter voorbereiding op het gymnasium bijles in Frans moest volgen, kreeg ik die van pater E.L. Rijksen, M.S.C. In mijn bezit is nog een door hem voor mij gemaakte kopie van het gedicht “Le singe qui montre la lanterne magique” van Jean-Pierre Clarisse de Florian (1755-1794). Pater Rijksen was - voor mij - een massieve, rijzige man met een prachtige stem om te declameren, wat hij dan ook graag deed. Vooral zijn Frans klonk als het rollen van de donder over het veld aan de overkant van ons huis. Hij was dertig jaar lang missionaris in Afrika geweest en vertelde daar graag over, mij soms angst aanjagend met verhalen over ontdekkingsreizigers die in grote ketels gekookt werden en opgegeten. Zo lang hij er serieus bij keek hield hij vol dat mensenvlees heel lekker was, maar als ik benepen begon te kijken barstte hij in een daverende lach uit. Dát was wat de meeste mensen zich voorstelden van de heidenen en ik moest toch toegeven dat hijzelf een smakelijke hap zou zijn geweest. Enfin, ik was nog maar elf jaar en in plaats dat zijn verhaal mij afschrikte kreeg ik het verlangen missionaris te worden om ook naar “de warme landen” te kunnen gaan.
In de missie, zo legde pater Rijksen mij uit, manifesteerde zich de wereldkerk, de katholieke kerk. Het woord “katholiek” was afgeleid van het Grieks en betekende “geheel”, “alles samenvattend”. Met een van het latijn afgeleid woord betekende het “universeel”. En wat was er mooier dan universeel of katholiek te zijn en dan ook niet te blijven hangen in de dorpskerk, maar de wereld in te trekken om het universele geloof te verkondigen.
Ik had zelf al begrepen dat het geloof, i.c. het katholieke, het dorp ver oversteeg, maar deze notie had nog geen concrete inhoud. Door de les van de pater kon ik mij er iets bij voorstellen: Rome, als de zetel van het geheel, en de missielanden. En waar “zaten wij” niet allemaal? Niet alleen in Afrika, maar ook in China en India en in Zuid-Amerika. En in Japan waar Franciscus Xaverius het geloof had gebracht, een verhaal dat nog overtroffen werd door dat van pater Damiaan, de Held van Molokai. En nog overtreffender was natuurlijk het verhaal van Columbus. Mijn vader had er ook alweer een boek over: “Christoffel Columbus” (1946) van Gabriël Gorris. Het had als ondertitel “De laatste kruisvaarder” en men begrijpt dat Gorris op het niet door iedereen gedeelde standpunt stond dat Columbus zijn tocht ondernomen heeft om het geloof uit te dragen. Toen ik op school een voordracht moest houden koos ik de ontdekking van Amerika door Columbus als onderwerp en putte mijn stof uit dit boek.
Ook uit andere lectuur was ik op de hoogte van Amerika. Ik had bij voorbeeld “Dromenland. Een boek voor de jeugd” (1946) van Aug. A. Boudens. Het besloeg drie delen: de verovering van Mexico door Hernando Cortez, het korte keizerschap van Mexico van de Habsburger Maximiliaan, drie eeuwen later, en de dictatoriale heerschappij over Mexico van Plutarco Elías Calles in de 20er jaren van de vorige eeuw. Het laatste verhaal vond ik niet zo geweldig, ik begreep niks van een dictatuur, maar over dat van Cortez was ik enthousiast. Talloze namen - Huitzilopotchli, Tlascalanen, Istrisuchil, Montezuma, Quetzalcoatl, Tenochtitlan - heb ik nog steeds in mijn geheugen.
Mijn amerikanologie - om met Sloterdijk te spreken - putte ik overigens in hoofdzaak uit de werken van Karl May, Fritz Steuben en Jules Verne. Mijn literatuuropvatting was sterk romantisch. In "De kleine Johannes" stond ik onvoorwaardelijk aan de kant van Johannes en Windekind tegenover Wistik en Pluizer. En toch maakten bepaalde beschouwelijke passages in het werk van May en Verne, met hun laat-negentiende eeuwse positivisme, rationalisme en conservatisme diepe indruk op mij. Old Shatterhand ontleende zijn naam dan wel aan de fysieke kracht van zijn hand, die in staat was een hem bedreigende vijand met één klap tegen zijn slaap te doden, maar dat was altijd uit zelfverdediging, nooit uit agressie. Verder was hij een redelijk, rationalistisch man die het goede nastreefde, temidden van halve wilden en woestelingen, "rawdies" geheten. Mooier was het nog gesteld met Winnetou, ook al een humanist van het zuiverste water, maar nog verdienstelijker daar hij niet had doorgeleerd in de Europese beschaving, maar kennelijk een natuurtalent was. Ik moet toegeven dat ik deze moraliserende passages meestal oversloeg, maar met zoveel slecht geweten dat ik menig boek heb herlezen om mijn zonde te boeten. Jules Verne kon er op al die mijlen onder zee of in de lucht, in het gezelschap van de kinderen van kapitein Grant of in de Amerikaanse burgeroorlog zo mogelijk nog meer van en aangezien ik, wat helemaal niet te verwachten was geweest, een uitstekende bêta bleek te zijn, sprak mij het technische vernuft dat hij ten toon spreidde, enorm aan. Later heeft het mij jaren gekost om dit vernuft van de een (May) te verzoenen met de "Vernunft" van de ander (Hegel), hetgeen een van de vele goede inleidingen in de filosofie bleek op te leveren, die uit al mijn lezerij voortvloeiden.
Mijn indologie putte ik grotendeels uit een boek over keizer Akbar, waarvan ik mij de titel noch de schrijver herinner. De auteur was in ieder geval niet Van Limburg Brouwer. Er was sprake van jezuïeten en belijders van andere geloven en Akbar slaagde erin zich boven de partijen te handhaven. Dat het verhaal zich in de 16e eeuw afspeelde overzag ik niet en ik meende lange tijd dat het er daar nog steeds zo aan toe ging: India als missiegebied en een veldslag tussen een aantal geloven. En "wij" hadden ook nog Nederlands-Indië, als wingewest, maar daarover hoef ik niet uit te wijden, te Limburgs als wij trouwens waren om kolonisten te leveren en ik te jong om deel te nemen aan de politionele acties. (Ik las wel van Augusta de Wit “Orpheus in de dessa” en “De godin die wacht”.) (En overigens: mijn eerste liefde was de uit Nederlands-Indië gerepatrieerde Jonkvrouwe Hilda de Kock met wie ik de films van Rintintin bezocht en voor wie ik een op een verhaal van Felix Timmermans variërend toneelstuk schreef "De varkenskop in de wilg" dat daadwerkelijk is opgevoerd en dertig cent opleverde.)

Hoe dit ook zij, men kan niet ontkennen dat er in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een grote belangstelling was voor de wereld en de Verenigde Naties. Als een jongen van tussen de tien en de vijftien al zoveel lectuur kon bemachtigen, in een dorp waar niet eens een boekhandel was, dan moet dit in de atmosfeer hebben gehangen, in kranten, radio, preken en lessen doorgesijpeld hebben, veel indringender dan nu.
(Wordt vervolgd.)

zaterdag 30 oktober 2010

Een intelligent hart 2

Wat Finkielkraut met zijn boek "Un coeur intelligent" wil zeggen is mij volstrekt een raadsel. Ik heb hier al een jaar geleden aan de hand van zijn "Avant-Propos" proberen aan te tonen dat hij het zelf niet weet. De boeken die hij bespreekt heb ik niet allemaal gelezen, maar ik heb de indruk dat wij hier weer te maken hebben met een lijst die gekozen is met een vooropgezet doel, niet als steekproef om langs inductieve weg te komen tot een idee van de ziel van de roman, maar om een stelling te bewijzen die Finkielkraut al in zijn hoofd had voor hij aan dit boek begon. Ik noem drie voorbeelden: "Lord Jim", "The human stain" en "Aantekeningen uit het ondergrondse".
Conrad doet er een half boek over om de deugdzaamheid van zijn held Jim aan te tonen. Dat hij voor een gerecht is gedaagd is dus kennelijk niet aan hem te wijten, maar aan zo iets als het noodlot of misschien juist zijn deugdzaamheid die hem dan zijn verderf injaagt. Boodschap: ook een deugdzaam mens kan het slecht vergaan.
Met Coleman Silk in "The human stain" gaat het al niet beter. Hij wordt het slachtoffer van de verdraaiing van een grapje dat door een overcorrecte collega wordt gebruikt om hem te gronde te richten. Wie een beetje thuis is in dit soort omstandigheden voelt al na 20 bladzijden waar het naartoe gaat: de dood van het hoofdpersonage.
Het anonieme hoofdpersonage van de "Aantekeningen uit het ondergrondse" gaat niet dood, althans niet in het boek. Hij is een van de meest rancuneuze figuren uit de wereldliteratuur. De filosoof Max Scheler heeft hem uitgekozen om te dienen als uitgangspunt voor zijn "Das Ressentiment im Aufbau der Moralen". Een hele - negatieve - eer. Merkwaardig genoeg rept Finkielkraut hier helemaal niet van. Het maakte hem verdacht voor mij. Wat bedoelde hij dan? De "Aantekeningen uit het ondergrondse" munten bepaald niet uit in hartelijkheid, integendeel, het is een en al gif. "Ik ben een ziek man...," begint het, "Ik ben een slecht man. Een onaantrekkelijk man ben ik. Ik geloof dat ik aan een leverkwaal lijd... Neen heren, ik wil mij niet laten cureren, uit kwaadaardigheid." Zo gaat het, in de vertaling van Hans Leerink, het hele boek door. Kort samengevat: jullie kunnen allemaal de kolere krijgen. (Wij hebben minstens twee mooie evenbeelden in "Een nagelaten bekentenis" van Marcellus Emants en "Meneer Vissers hellevaart" van Simon Vestdijk.) De roman van Dostojewski is wel heel lucide, maar weinig hartelijk.
Finkielkraut is een zich filosoof noemende sikkeneurige kniesoor, een professionele chagrijn. Hij heeft een voorkeur voor wat hij de underdog noemt, maar wat in feite de drager van het ressentiment is. Hij wil onrecht aan de kaak stellen, het vervelende is alleen dat hij geen goede maatstaf heeft. De kreet "intelligent hart" is als zodanig helemaal niets, hoe mooi het literair ook mag klinken.

De wereld en ik 1

Belangstelling voor de “wereldsituatie” is in Nederland niet vanzelfsprekend. Je ontmoet vaak bevreemding als je er blijk van geeft en wel zoveel dat je je afvraagt of je wel gelegitimeerd bent tot zo’n materie. Ik beroep mij meestal op het feit dat ik in de tachtiger jaren docent in de volkenrechtsgeschiedenis ben geweest, maar mijn belangstelling is veel ouder, dat docentschap was de vervulling van een wens die ik sinds mijn jeugd heb gehad. (En niet omdat ik kom uit een familie die gewoon was diplomaten af te leveren.) Het schrijven over Andrew J. Bacevich brengt mij deze behoefte aan legitimatie weer eens in gedachten. Hij is van 1947, van “na de oorlog”; ik van “voor de oorlog”, van 1935. Het ligt voor de hand dat wij verschillende instellingen hebben. Hij is opgegroeid in een Amerika dat de wereldmacht had, ik in een Europa dat in oorlog was en bevrijd werd door soldaten van vele landen uit de hele wereld, Canadezen, Schotten, Australiërs, Fransen, Engelsen, naast Amerikanen, in een woord: door “de geallieerden”. Aan de top van dat bondgenootschap stonden de “ Big Three”, F.D. Roosevelt, W. Churchill en J. Stalin. Hun taak was de bestrijding van het nationaal-socialisme en de Japanse machtsdrift. Mijn jeugd speelde zich dus af in een mondiale setting: Nederland, ja, Europa wérd bevrijd, het was zelf niet in staat zich uit zijn burgeroorlog te verheffen. De oprichting van de Verenigde Naties gaf aan dat gevoel - van mondiale samenhang - vorm en was vanzelfsprekend.
Bij de Bevrijding was ik net 9. Gedurende een jaar ontmoette ik in mijn onmiddellijke omgeving niet alleen de bekende dorpsgenoten, maar talrijke van de genoemde bevrijdende soldaten. Op nog geen honderd meter van ons huis was een “headquarter” met erachter een “cookhouse”. Op de divan in onze huiskamer was de kapitein van een tank, die aan de overkant van de straat stond, “ingekwartierd”. Behalve tanks stonden er in het veld tegenover ons huis stapels kratten met tankgranaten. Soldaten zaten bij ons mee aan tafel en ik leerde spelenderwijs Engels van ze (inclusief “vieze woorden”). Bij het “cookhouse” probeerden wij wat wittebrood, boter en vlees in blik te snaaien.
Mijn vader onderhield zich graag met deze mannen. Zij spraken onder anderen over de “Battle of the Bulge” die zich vijftig kilometer zuidelijker afspeelde. Met de officieren converseerde hij over de “wereldsituatie”, zoals die was ontstaan na Jalta. Hij had zelf enige scholing op dit gebied omdat hij in de twintiger jaren op de HBS les had gehad van Bernhard Vlekke die na de oorlog publiceerde en lezingen gaf.
Toen de Bevrijding voltooid was en de geallieerde soldaten weer verdwenen waren verplaatste zich zijn aandacht van de Duitsers en hun nazisme naar de Russen met hun communisme. Hij las erover in de provinciale krant, luisterde naar de radio (“De toestand in de wereld”) en volgde van tijd tot tijd lezingen. Soms schafte hij een boek aan. Ik herinner mij “De grondslagen van het volkenrecht” (1945) van Mr. Dr. E.J.M.H. Jaspar. Het besloeg 42 bladzijden en ik dacht - ten onrechte - dat ik dat wel aan kon. In ieder geval bladerde ik erin, onderstreepte enkele passages, sloeg ze op in mijn geheugen en hield voor de rest van mijn leven een vage niche in mijn herinnering over die ik later ben gaan uitdiepen.
“De hierna volgende gedachten over de grondslagen van het volkenrecht werden geschreven,“ zo begint Jaspar zijn woord vooraf, “ten tijde van de bezetting van ons vaderland. Zoowel de vrije gedachtenwisseling - thans weer mogelijk - als wereldvrede en volkenrecht, die, dank zij de besluiten van San Fransisco nopens de organisatie van “The United Nations”, in het middelpunt der belangstelling staan, rechtvaardigen naar het ons voorkomt een verspreiding van die gedachten in breederen kring.” Het boekje was bedoeld voor het grote publiek. Ooit, ik weet niet meer wanneer heb ik het meegenomen of meegekregen.
Gesprekken van mij met mijn vader over de internationale ontwikkelingen vonden nooit gericht of opzettelijk plaats. In feite ving ik flarden op van wat hij besprak met zijn broer Sjeng of met zijn neven Willie en Jan Vaassen. Of misschien ook met een pater van het in ons dorp gevestigde missiehuis. (Die paters zaten in missies in vele delen van de wereld.)
Voor hem was de “wereldsituatie” een permanent thema. Vlekke werd waarschijnlijk genoemd in gesprekken bij de verschijning van zijn “Tweespalt der wereldrijken. De tegenstelling tussen Oost en West in wezen en wording”; mijn vader was maar wat trots dat hij van deze beroemde schrijver zelf les had gehad. In 1957 kwam hij in het bezit van “De gemeenschap der staten. Een studie over de vorming eener gemeenschap van staten beoordeeld naar algemeene rechtsbeginselen onder verwijzing naar regels van geldend volkenrecht” van Jhr. Mr. C.M.O. van Nispen tot Sevenaer (door mij ook meegenomen of gekregen). Naast de “Gazet van Limburg” las hij het opinieweekblad “De Linie“, een “bolwerk tegen communisme, liberalisme, socialisme en ... erg reactionair” van de jezuïten, grotendeels gedreven door Josephus Hendrikus Cornelis Creijghton S.J. (1901-1975). Voor deze auteur had hij zoveel respect dat hij in 1962, toen ik het huis al uit was, diens “Internationale anarchie. De weg naar een nieuwe wereldorde” aan mij cadeau deed.
Ik heb er geen idee van hoeveel hij van deze literatuur opstak, ik in ieder geval alleen maar dat er zo’n stof bestond en dat die iets verklaarde van de dingen die ikzelf had waargenomen: de bezettende Duitsers, de bevrijdende geallieerden, de half-intellectuele discussies van mijn vader met anderen. Ik bedoel, ik groeide in mijn dorp op in het besef van een groter geheel, de wereld, die soms lijfelijk aanwezig was.
Hoe lijfelijk leerde ik bij lezing van ‘Het vijf-en-twintigste uur” (1950) van Virgil Gheorgiu, waarvan ik eveneens het exemplaar van mijn vader, voorzien van zijn prachtige handtekening, heb.

Van dat boek leerde ik dat er machten zijn waar geen individu tegenop kan, in het geval van het hoofdpersonage Johann Moritz de Duitsers, de Russen, de Amerikanen, waarbij de Amerikanen er als bevrijders niet met een lofprijzing vanaf komen. (Dit laatste boek gaf mij verder niet alleen een kritische kijk op het amerikanisme, maar was ook, door de inleiding van Gabriel Marcel, mijn eerste kennismaking met het existentialisme.)


(Wordt vervolgd.)